Research Council

Radical openness towards the past

The complex history of Castrum Peregrini has been subject to research of historians, literature scholars, sociologists and artists. Despite the many and good studies that exist there is a growing demand for research into areas such as resistance, subversive strategies, the relation of arts, crafts and community as well as ideology and politics of the apolitical e.a.

It is equally and especially important to shed light on power relations, sexual dependencies and group dynamics as well as on issues of gender, race and class.

We want to encourage all independend research related to the many histories of Castrum Peregrini. The archives that are accessible in our premises are open for all serious researchers.

In the light of the recent interest in possible sexual abuse in the circles around Wolfgang Frommel we support all efforts to shed light on this troubled past.

Proposals of research projects will be put forward to our research council chaired by Prof. Rosemarie Buikema (University of Utrecht). The council will appraise applications and support researchers. Later in 2017 the council will also publish their own research agenda.

Applications for use of our archives can be put forward to mail@castrumperegrini.nl

 

Research council

 

Prof. Rosemarie Buikema, University of Utrecht, NL (chair)

Prof. Ernst van Alphen, Leiden University, NL

Prof. Aleida Assmann, Universität Konstanz, DE

Dr. Ursula Langkau-Alex, International Institute of Social History, Amsterdam, NL

Radio 1 bezoekt het Huis van Gisèle

Marc Robin Visscher interviews Marjan Schwegman (member Advisory board of Castrum Peregrini) and Frans Damman for NPO Radio 1 Cultuur Friday 29 april – listen back here  Herengracht401 (2)

Toespraak Job Cohen 2 Mei 2016

JCDit jaar is het 75 jaar geleden dat Gisèle haar huis openstelde voor onderduikers. Tot op de dag van vandaag wordt het Castrum Peregrini genoemd, de schuilnaam van het ondergrondse bestaan destijds.

Gisèle’s drijfveer was haar overtuiging en haar geloof in menselijkheid.

Tegen het aanraden in van haar vriend en mentor Adriaan Roland Holst schreef ze zich niet in bij de Kulturkammer, ondanks het aanbod voor  het voorzitterschap van de sectie glas in lood. Daardoor kon zij haar beroep als kunstenaar niet meer uitoefenen. Ze volgde haar leermeester Joep Nicolas niet naar diens ballingschap in New York. Ze wilde familie en vrienden niet achter laten. In deze kwetsbare positie nam ze  twee joodse onderduikers op in huis en later menig jongen die voor de Arbeidseinsatz ging schuilen. Gevraagd naar haar motivatie antwoordde ze steevast: “Ik laat hen toch niet afslachten als kippen.” Was dit naïviteit of handelde ze weloverwogen? Intuïtie of rationaliteit? Gedreven door de omstandigheden of overtuiging? Opvoeding of instinct?

Hoe dan ook, Gisèle vond het nooit iets bijzonders. Voor haar was het belangrijk om ondanks alle moeilijke omstandigheden een menselijke wereld te scheppen, hoe klein dan ook. Haar appartement op drie hoog werd een realiteitsbubbel die alle dreigingen van Razzia’s trotseerde, waar ondanks kou en honger een groepje jongeren en hun helpers bij elkaar waren en zich verbonden voelden door hun noodlot èn door de kunst die hen bezighield. Het raamwerk hiervoor was door Gisèle geschapen. Zij kon een sfeer scheppen waarin schoonheid en vertrouwen de ruimte kregen. Dat deed ze samen met haar vriend Wolfgang Frommel en met velen uit haar netwerk, zoals Eep Roland Holst en Max Beckmann. Het verbindende vermogen van kunst en cultuur wist Gisèle als geen ander te bespelen.

Ondanks alle trauma’s van de oorlogstijd en de ontwortelde zoektocht van de groep na de bevrijding kon Gisèle toch de bindende en scheppende kracht van de kunst, ook in de periode na de oorlog, verder gebruiken en dit huis aan de onderduikergroep ter beschikking stellen. Om de originele onderduikvertrekken uit de Tweede Wereldoorlog heen groeide haar huis steeds verder. Etage na etage kon ze vormgeven en gebruiken als atelier, of als woonvertrekken voor haar en oud-burgermeester Arnold d’Ailly en voor haar onderduikers die al dan niet tijdelijk weer hier kwamen wonen om aan het tijdschrift Castrum Peregrini te werken. Er ontstond een illuster netwerk van kunstenaars en intellectuelen die tot op de dag van vandaag hun sporen hebben achtergelaten. Toen Gisèle in 2013 op 100-jarige leeftijd overleed had de jongere generatie reeds een cultureel programma opgetuigd dat het heden bevraagt op basis van het verleden van dit huis: hoe was de ontmenselijking mogelijk tòen, en wat is er nodig om weerbaar en met moed in zo’n situatie  menselijk te blijven? De stichting van Gisèle heeft dat in culturele programma’s uitgediept, met het verhaal en de persoon van haar oprichtster in hun midden.

Het wegvallen van de eerste generatie, die de oorlog zelf heeft meegemaakt, beïnvloedt de manier waarop wij de Tweede Wereldoorlog  herinneren. Ook de grote veranderingen die het ontstaan van een digitale wereld met zich meebrengt en, niet in de laatste plaats, de wetenschap dat we steeds meer leven in een wereld waarin oorlog van invloed is op ons leven, speelt een rol.

De Tweede Wereldoorlog en stilstaan bij wat zich toen afspeelde mag in Nederland nog steeds rekenen op grote belangstelling. Deze belangstelling neemt niet af, maar verandert wel. Door het wegvallen van de ooggetuigen wordt herinnering geschiedenis. Vanwege haar gewichtige betekenis is het onze collectieve verantwoordelijkheid om de herinnering aan de Tweede Wereldoorlog te behouden. Het mag geen geschiedenis worden die behouden blijft in boeken, maar geen waarde heeft voor het heden. Het collectief verbindende trauma kan een collectief verbindende toekomst voeden.

Met het wegvallen van de eerste generatie zijn het niet meer de mensen zelf die kunnen spreken, maar hetgeen zij ons hebben nagelaten. En Gisèle heeft ons iets unieks nagelaten, originele interieurs uit de onderduiktijd, een bijbehorend archief en een verhaallijn die zich heeft ontwikkeld tot op de dag van vandaag.

Hier in dit huis komen software en hardware samen. Dat het verhaal van Gisèle en haar onderduikers zichtbaar en voelbaar is op deze bijzondere plek maakt het een unieke combinatie. De hardware is authentiek, niets is gereconstrueerd, alles is echt, van de pianola waarin Buri, één van de onderduikers, verstopt zat, tot de boekenkasten met de lectuur voor de lange onderduiknachten achter de verduisterde ramen. Het is nu aan haar erfgenamen, om deze kwetsbare parel te ontsluiten: het pand en de interieurs te conserveren en te restaureren en daarmee deze lieu de mémoir voor een breed publiek toegankelijk te maken. Castrum Peregrini begeeft zich daarmee op het veld van herinneringsinstellingen die actief naar synergie zoeken en lacunes willen vullen, zoals beschreven in het rapport van de commissie Versterking Herinnering WOII uit 2015 waarvan ik voorzitter was.

Dit kan van grote meerwaarde zijn voor het levendig houden van de herinnering aan de Tweede Wereldoorlog in de educatieve sector. Juist door die software op passende wijze te verbinden aan de hardware “om de hoek” ontstaat een tastbare herinnering met een heldere betekenis voor jong en oud.

Vandaag wordt deze plek kenbaar gemaakt voor de voorbijganger door een plaquette te onthullen die Gisèle’s naam ook zichtbaar aan dit huis koppelt. Het is de eerste symbolische stap om het huis in de komende jaren te restaureren en te laden met de betekenis van stille helden, waarvan Gisèle een aansprekend voorbeeld is. Een voorbeeld dat ook in onze huidige tijd een inspiratiebron is voor mensen die op zoek zijn naar een moreel kompas om hun weg te bepalen in een maatschappij die haar zelfverzekerde oriëntatie kwijt lijkt te zijn.

Om dat doel te bereiken dienen er forse inspanningen geleverd te worden op financieel, politiek en publicitair gebied. Om dat voor elkaar te krijgen heeft Castrum Peregrini een Comité van Aanbeveling bijeengebracht dat dit initiatief kracht wilt verlenen. Ikzelf neem met plezier zitting in het comité en spreek ook namens de andere leden van het Comité:

Marjan Schwegman, Ronny Naftaniel, Maya Meijer Bergmans, Avrum Burg en Eric Fischer, vandaag bijna volledig aanwezig.

Dit comité zal de drie fases van het proces adviserend begeleiden:

  • Fase 1 tussen nu en mei 2017, dat zich zal richten op onderzoek, fundraising, plannen en vergunningen.
  • Fase 2 tot mei 2019, dat zal focussen op het toegankelijk maken van deze ruimten. Denk daarbij aan een lift en dergelijke. De rest van het gebouw zal gereed moeten worden gemaakt voor zijn nieuwe taak.
  • Fase 3 zal gaan om conservering en restauratiewerkzaamheden van de historische interieurs in het gebouw Herengracht 401. Wij hopen daarmee het hele proces af te sluiten in de zomer van 2020.

Hiervoor is alle hulp nodig die maar te bedenken valt: geld, expertise en netwerk. Ik doe daarom een beroep op alle aanwezigen om naar eigen vermogen mee te helpen.

Velen van de hier aanwezigen hebben Gisèle gekend. Ze was tot aan haar dood een markante figuur in het Amsterdamse. Iedereen herkende haar meteen wanneer ze op straat liep; met iedereen, bouwvakker of burgemeester, maakte ze even makkelijk empathisch contact. Met iedereen beleefde ze wel een moment. Vaak ging het om iets gezamenlijk te bekijken. De schoonheid van een veertje voor je voeten op straat kon ze even sterk beleven als een Picasso in het museum. Belangrijk was dat ze dat samen met jòu deed, dat ze een band kon opbouwen met iemand, altijd via de kunst, via iets samen doen, beleven of scheppen. Die houding heeft haar en anderen geholpen in de oorlog en die houding heeft haar dit juweeltje van een huis helpen creëren. Deze menselijke houding was het die haar alles liet nalaten aan een stichting, opdat het ten goede zou komen aan de maatschappij. Laten we daar gezamenlijk verder aan werken.

 

Job Cohen

2 mei 2016

Toespraak Michael Defuster voor onthulling plaquette Gisele

KnipselGeachte aanwezigen,

Ons bestuurslid Erik Somers heeft in zijn boek De Oorlog in Het Museum overtuigend aangetoond dat onze maatschappij in het laatste decennium een stijgende behoefte laat zien aan informatie en beleving van alles wat met de herinnering aan de tweede Wereldoorlog te maken heeft. Dat zegt iets over de veranderingen in onze tijd, maar ook over ons, mensen, als wezens die gekenmerkt worden door geweten en moraal. En die twee invalshoeken zijn nauw met elkaar verbonden.

De huidige sociale turbulentie en morele onzekerheid beperken zich niet tot de Nederlandse maatschappij maar zijn in de gehele Westerse wereld fenomenen die inmiddels welbekende oorzaken hebben: ondermeer door toedoen van het internet en de opkomst van nieuwe economische mogendheden dringt globalisering de relativiteit op van de Westerse kapitalistische en democratische cultuur en wereldvisie; massa immigratie ontregelt gevestigde maatschappelijke structuren en stelt gekoesterde Westerse waarden op de proef; de toenemende kloof tussen rijk en arm en tussen hoog en laag opgeleiden tast de maatschappelijke cohesie aan. Het verbaast nauwelijks dat de behoefte aan een duidelijke toekomstvisie en aan daadkracht om de problemen aan te pakken maatschappij breed groeit, ware het niet dat de huidige politieke stromingen die de voorkeur genieten bij menig kiezer een ongemakkelijk makend déja vue gevoel veroorzaken.

Kenan Malik, die vanavond de gast is van Castrum Peregrini als spreker, en ondermeer de auteur is van The Quest For A Moral Compass, waarin hij de geschiedenis beschrijft van de filosofische zoektocht van de mensheid naar wat goed en wat kwaad is, komt tot de misschien schokkende maar geenszins onverwachte conclusie dat het tot de menselijke conditie behoort dat er geen moreel veiligheidsnet bestaat. Geen god, geen wetenschappelijke wetmatigheid, noch een solide ethisch stelsel kan ons beschermen van het gevaar om te struikelen tijdens de morele evenwichtsoefening die we als menselijke wezens gedoemd zijn uit te voeren. Dit inzicht kan zeer verontrustend, of juist zeer opwindend zijn. En die keuze ligt bij onszelf.

Vandaag zijn we hier samengekomen om Gisèle d’ Ailly- van Waterschoot van der Gracht te eren als stille held. Tijdens de Tweede Wereldoorlog liet ze belangeloos Joodse en Nederlandse jongeren onderduiken in haar appartementje driehoog in dit pand. Het verzet dat Gisèle daarmee pleegde was in feite ontstaan doordat ze vasthield aan wat zijzelf “gewoon” vond, zoals Marjan Schwegman het formuleert in het boekje Moedige Mensen van Jaap Cohen en Hinke Piersma. Maar is vasthouden aan wat je “gewoon” vindt, in de zin zoals Marjan Schwegman het bedoeld, niet hetzelfde als integriteit?

En onze tijd snakt naar integriteit. Het politieke toneel is te vaak een demasqué geworden van de geheime agenda’s die het eigenbelang en de ongeïnteresseerdheid in de anderen verhullen. De onvrede over de misleiding en de onmacht uit zich momenteel in alarmerende fenomenen, zoals de opkomst van extremisme en populisme: gevaarlijke oneliners die de schijn wekken van oprechtheid en betrokkenheid, waarmee een angstige en onzekere mensheid gedreven wordt naar “de sterke leider”. Deze gang van zaken heeft veel reminiscenties met de jaren twintig en dertig uit de vorige eeuw, de aanloop naar de Tweede Wereldoorlog, de tijd van Gisèle’s jeugd. Zijn de democratische en supranationale structuren, die sindsdien zijn opgebouwd en tot voor kort onverwoestbaar leken, bestand tegen de veelvuldige aanvallen van binnenuit? Niemand die hierop het antwoord weet natuurlijk en hopelijk is het niet nodig dat de tijd dit zal uitwijzen. De vraag stellen echter onderstreept het belang van moedige en integere mensen zoals Gisèle, die uiteindelijk het geloof in een betere wereld in stand houden en tot op heden een voorbeeld zijn voor mensen die op zoek zijn naar een ethisch kader of naar manieren om hun eigen levensinstelling aan te passen aan de nieuwe realiteiten die zich aandienen.

De onthulling over enkele ogenblikken van een plaquette aan de voorgevel van dit pand, door Job Cohen, staat ook symbool voor de aanvang van een nieuw leven voor dit gebouw, het Huis van Gisèle’s, dat ze heeft nagelaten als een met boeiende en waargebeurde verhalen gevuld juwelenkistje. Hoe klein dit pand ook mag lijken, bij nader onderzoek verbluft de horizontale en verticale reikwijdte telkens weer. Een historische sensatie noemde de Museumkijker de vertrekken en het archief onlangs. In deze authentieke interieurs wordt zichtbaar en voelbaar hoe personages uit de intellectuele en artistieke milieus uit de jaren dertig, veertig en vijftig, bij elkaar genegenheid, bescherming en inspiratie zochten, in het toevluchtsoord dat Gisèle voor hen bouwde en tot haar dood in 2013 hoedde. Met hulp van het aanwezige comité van aanbeveling wil de huidige generatie van Castrum Peregrini Gisèle’s werk verderzetten. Job Cohen zal hier straks op terug komen.

Het Huis van Gisèle is een unieke plek dat een heroïsch verleden combineert met acute maatschappelijke vraagstukken. De drijvende kracht achter de activiteiten is het onvoorwaardelijk geloof in een maatschappij waarin niemand buitengesloten wordt en die diversiteit en gelijkheid omhelst als voorwaarden voor vooruitgang.

Vandaag de dag is het een levendig huis dat vanuit haar verleden en onder de noemer Memory Machine, debat, publicaties en tentoonstellingen organiseert. Diepgang is daarbij het sleutelwoord. Elk individu is een “database” aan herinneringen die in hoge mate diens identiteit bepalen. Dit geldt ook voor groepen en maatschappijen als geheel. In ons individueel en collectief geheugen ligt de sleutel tot datgene waarmee we ons identificeren en tot dat wat we als vreemd ervaren. Inclusie en exclusie vinden daar hun bestaansgrond, en het merkwaardige daarbij is dat dit helemaal niet vastligt zoals we intuïtief plegen te denken.

Geheel in navolging van Gisèle richt Castrum Peregrini zich op een publiek van experts: de creatieve makers, de opinieleiders, de wetenschappers, de maatschappelijk geëngageerden, kortom, de dragers van de belofte van een betere wereld. In de internationale denktank Intellectual Playground verzamelen en delen we met hen kennis over de menselijke conditie, die duistere en zuivere kanten heeft, die zowel in staat is tot genocide of tot bloeiende maatschappijen. Met hen zoeken we naar antwoorden op de vele vragen die de morele dubbelzinnigheid van de menselijke soort oproept. Vanavond levert Kenan Malik hieraan alvast zijn bijdrage in het avondprogramma dat om acht uur begint op de locatie Spui 25.

De historische interieurs van Het Huis van Gisèle worden vandaag officieel opengesteld. Op onze vernieuwde website wordt omschreven hoe men toegang krijgt. We beginnen klein. Voor grote groepen mensen zijn de ruimtes vooralsnog niet geschikt. Conserveringsmaatregelen, toegankelijkheid e.d. dienen in de loop van de komende jaren onder handen genomen te worden. Maar we willen de uniciteit en het educatieve potentieel ervan alvast onder de aandacht brengen.

De onthulling door Job Cohen van de plaquette die Gisèle eert is de symbolische eerste stap hiertoe. Laten we niet langer wachten en nu naar buiten wandelen, naar de Herengrachtkant van dit pand.

Persbericht: authentieke onderduiketage opengesteld voor publiek

authentieke  onderduiketage opengesteld voor publiek

samenwerking stedelijk museum amsterdam en ‘het huis van gisèle’


interieur gisele salonEen ‘historische sensatie’ noemt MuseumKijker in maart 2016 de vertrekken van de kunstenares Gisèle d’Ailly van Waterschoot van der Gracht (1912 – 2013).  Eerder schreef NRC: ‘Vraagt u mij waarom kunst eigenlijk nodig is, dan neem ik u mee naar de nog steeds intacte etages op de Herengracht in Amsterdam, waar de kracht van vriendschap en verbeelding mensenlevens redde.’ 

Voor het eerst is het mogelijk om de privé woonvertrekken van Gisèle te bezoeken.  Op maandag 2 mei onthult Job Cohen een plaquette aan de gevel ter ere van haar stille heldenrol en kondigt Castrum Peregrini een bijzondere samenwerking aan met het Stedelijk Museum Amsterdam . Het betreft de adoptie van het vijfluik ‘Moira’ (1956) in de collectie van het Stedelijk, met behoud van locatie in Gisèle’s salon. Een unieke verbinding waarmee de beide instellingen de verantwoordelijkheid van het behoud van Gisèle’s werk voor het publiek en de stad Amsterdam op zich nemen. 

De intact gebleven etage waar Gisèle onbaatzuchtig onderduikers in huis nam vanaf 1942, de salon waar zij met oud-burgemeester Arnold d’ Ailly vanaf eind jaren ’50 woonde en Gisèle’s atelier waar zij tot het einde van haar leven doorbracht, tonen haar werken en vertellen de geschiedenis van Amsterdam als toevluchtsoord voor kunstenaars en vrijhaven voor cultuur. Adriaan Roland Holst, Max Beckmann, Marguerite Yourcenar en vele anderen hebben daar tijdens en na de oorlog hun sporen achtergelaten.

Bart Rutten, Hoofd Collecties Stedelijk Museum: “Met het accepteren van de gift, om de prachtige panelen “Moira“ in gedeeld eigendom in de collectie van het Stedelijk Museum op te nemen, kunnen we onze expertise in behoud en conservering delen met deze bijzondere plek, die relevant is gebleken voor de internationale kunstgeschiedenis. Hiermee onderstreept het Stedelijk het cultuur- en kunsthistorische belang van het oeuvre dat Gisèle opbouwde. Tevens wordt hiermee de waardevolle verbinding zichtbaar tussen het Stedelijk Museum en kunstinstelling Castrum Peregrini. Met de openstelling van het Huis van Gisèle, waar “Moira” te zien zal blijven, wordt een Amsterdams ‘toevluchtsoord’ voor kunstenaars ontsloten. Het werd ruim 70 jaar  bewoond door Gisèle en getuigt in de traditie van de Modernen voluit van haar leven in uitwisseling met haar internationale vriendennetwerk van kunstenaars, schrijvers en wetenschappers, waaronder Max Beckmann, een icoon uit de collectie van het Stedelijk.”

Haar huis vertelt ook wat kunst toevoegt in moeilijke tijden, door in tijden van uitsluiting, inclusief te denken. Castrum Peregrini geeft die erfenis vorm door de geest van Gisèle levend te houden in hetzelfde pand. Met haar programmering, het bezoekersprogramma en de introductie van de Gisèle Prijs vestigt zij de aandacht op de rol van kunstenaars en cultuur voor een inclusieve maatschappij. Om de verbinding tussen het verleden en heden tastbaar te maken, neemt de stichting nu het initiatief om de openstelling van het huis voor een breder publiek mogelijk te maken. De leden van het Comité van Aanbeveling steken hun schouders onder dit initiatief, te weten: Job Cohen, Marjan Schwegman, Eric Fischer, Maya Meijer Bergmans, Ronny Nathaniël en Avraham Burg.

Maandag 2 mei onthult Job Cohen de plaquette aan de gevel Herengracht 401 en licht de plannen toe betreffende de publieke openstelling van Het Huis van Gisèle. De ceremonie is in aanwezigheid van Bart Rutten, hoofd collecties Stedelijk Museum Amsterdam, die de unieke samenwerking met Castrum Peregrini zal toelichten. Jorrit Nuijens vertegenwoordigt de Gemeenteraad van Amsterdam.

Tijdens het avondprogramma voor publiek toegankelijk, zal de internationaal gevierde neurobioloog en schrijver Kenan Malik een inhoudelijk betoog houden voor een inclusieve maatschappij.

Voor de pers: u kunt zich aanmelden voor een begeleide rondleiding, hiervoor maken we graag een persoonlijke afspraak. Ook voor meer informatie, tekst of beeld , kunt u contact opnemen.

Castrum Peregrini,

Frans Damman

f.damman@castrumperegrini.nl

020 6235287 of 06 23367491

O Muze! – portretten van Gisèle

O Muze!

De Hallen Haarlem Zomerserie

6 juni t/m 30 Augustus 2015

voor deze grote zomertentoonstelling in museum De Hallen Haarlem zijn er drie ‘portretten’ van Gisèle van Waterschoot van der Gracht geselecteerd, van Joep Nicolas, Charlotte van Pallandt en Koos Breukel.

De mooi uitgevoerde, verzorgde catalogus bevatte de onderstaande tekst geschreven door conservator moderne kunst Antoon Erftemeijer  Frans Hals Museum / De Hallen Haarlem:

portret J Nicolas 1935 Foto Arend Velsink

portret J Nicolas 1935 Foto Arend Velsink

GISÈLE VAN WATERSCHOOT VAN DER GRACHT (1912-2013)

Vele kunstenaars hebben haar geportretteerd. De glazenier/schilder Joep Nicolas meermaals, toen zij hem als jonge vrouw in de jaren 1930 assisteerde bij diens glas-in-loodwerken en hem boeide door haar uiterlijk en artistieke talent.1 Dan de Duitse schilder Max Beckman, toen deze tijdens de Tweede Wereldoorlog in Amsterdam ondergedoken zat; hij noemde haar later ‘eine meiner Getreusten’.2 De beeldhouwster Charlotte van Pallandt vereeuwigde haar markante hoofd. En de fotograaf Koos Breukel maakte een serie portretfoto’s van haar toen zij 100 jaar was geworden. Gisèle van Waterschoot van der Gracht – over haar gaat het hier – kon op dat moment terugkijken op een niet alleen lang, maar ook artistiek vruchtbaar en zeer internationaal leven met vele inspirerende contacten.

Zelf inspireerde zij niet alleen mede-kunstenaars tot portretten als de genoemde, en later in haar leven tot een documentaire en zelfs een roman (‘Gisèle’ (2012) van Susan Smit). Ook was zij steun en toeverlaat voor collega’s en anderen die in de Tweede Wereldoorlog bij haar onderdoken of anderszins een beroep op haar deden, onder wie ook schrijvers als Adriaan Roland Holst en Eddy du Perron. Haar eigen beeldende werk is zeer veelzijdig, variërend van schilderijen en ruimtelijke werken tot series wandtapijten en expressieve glas-in-loodramen (Nieuwe Bavo te Haarlem, Begijnhof te Amsterdam, en elders). Kunst maken was voor haar een zoektocht: ‘Het màg niet anders dan moeilijk zijn’, stelde zij zelfs ooit.3 Vernieuwing schuwde zij allerminst, zij het vanuit een besef van afhankelijkheid van het verleden: ‘Als het goed is, begint men waarschijnlijk steeds weer opnieuw, hoewel nooit iets zomaar uit het niets komt. Wat boven de aarde zijn kop uitsteekt, spruit altijd voort uit de zaadkorrel eronder. Tussen wat is en wat was is altijd een samenhang.’4

In het pand Herengracht 401, Gisèles vaste woning en uitvalsbasis sinds 1941, werd door haar, de Duitse dichter Wolfgang Frommel  en anderen in 1950 het eerste nummer van het literaire tijdschrift ‘Castrum Peregrini’ uitgebracht. Daarmee werd de basis gelegd voor een enkele jaren later officieel opgerichte stichting met dezelfde naam en op hetzelfde adres, met een muzische culturele bestemming: uitgeverij van een eigen tijdschrift en boeken, evenementenplek, en ruimte voor exposities en ontmoetingen. Een inspirerende en internationaal gerichte, geëngageerde ‘intellectual playground’ (zoals het centrum zich tegenwoordig noemt5) waarvan Gisèle decennialang beschermvrouwe en drijvende kracht is geweest. [A.E.]

Joep Nicolas (1897-1972)

Portret van Gisèle van Waterschoot van der Gracht, 1935

Olieverf op doek,102 x 78 cm

Amsterdam, Collectie Castrum Peregrini

Charlotte van Pallandt (1898-1997)

Gisèle van Waterschoot van der Gracht, 1966

Brons, 56 x 38 x 27 cm

Eelde, Museum De Buitenplaats

Koos Breukel (1962)

Portret van Gisèle van Waterschoot van der Gracht, 2012

Inktjetprint, 60 x 40 cm [incl. lijst]

Amsterdam, particuliere collectie

1 – Twee andere portretten van Gisèle dan het hier gereproduceerde zijn in het bezit van de Roermondse Stichting 1880 (zie Stedelijk Museum Roermond). Zie over de relatie Nicolas-Gisèle o.a. Van der Varst 2014 en Nicolas White 1979. 2 – Smook-Krikke 2012, 47. 3 – Van Waterschoot van der Gracht 1956. 4 – Van Keulen en Van Waterschoot van der Gracht 1979. 5 – Zie verder de website van Castrum Peregrini (www.castrumperegrini.org).

catalogus O Muze! De Hallen Haarlem

catalogus O Muze! De Hallen Haarlem

catalogus O Muze! De Hallen Haarlem

catalogus O Muze! De Hallen Haarlem

 

Ontsluiting Historische Ruimtes

Het huis en de geschiedenis van Castrum Peregrini wordt steeds verder ontsloten. Vele initiatieven hiervoor zijn al gelanceerd. Het volgende framing paper van Michael Defuster schetst in grove lijnen de geschiedenis van Castrum Peregrini en het veld waarin toekomstig onderzoek het conserveren maar ook het inhoudelijke en fysieke ontsluiten moet onderbouwen.

 

Ruimtes en objecten

Het 17de eeuwse pand Herengracht 401 is in het begin van de 20ste eeuw grondig verbouwd waarbij van twee panden één geheel werd gemaakt. Het oorspronkelijke interieur is daarbij niet behouden gebleven. Over alle verdiepingen werd een opening in de scheidingsmuur gemaakt en een liftschacht werd gebouwd, echter, zonder lift. Die kwam er pas in de jaren vijftig.

Gisèle van Waterschoot van der Gracht huurde in 1940 de derde etage. Hier leefde ze vanaf 1942 tot het einde van de oorlog met de Duitse dichter Wolfgang Frommel en diens Joods Duitse pupillen Claus Bock en Buri Wongtschowski. Tijdens de oorlog doken er ook andere personen onder, zij het tijdelijk.

Na de oorlog kon Gisèle enkele etages erbij huren tot ze, geholpen door haar welgestelde ouders, het hele pand kon kopen. In de jaren vijftig betrok ze met Arnold d’ Ailly  de vierde en vijfde etage. De tweede etage diende als gemeenschappelijke keuken. Wolfgang Frommel trok in de oorspronkelijke onderduiketage op de derde verdieping en bleef er tot zijn dood in 1986 wonen. Claus Bock vestigde zich in 1987 in het inmiddels aangekochte aanpalende pand Beulingstraat 8-10.

De tweede, derde, vierde en vijfde etage zijn nagenoeg onveranderd gebleven sinds Gisèle ze achtereenvolgens verwierf, inrichtte en er gebruik ging van maken. Doordat ze op verschillende tijden zijn verbouwd en ingericht, ademen de verdiepingen telkens een andere sfeer uit. Gisèle meubileerde de etages met een grote hoeveelheid meubelen, objecten en kunstwerken van haarzelf en anderen. De meubelen zijn gedeeltelijk via haar ouders verworven, zowel van haar moeders Oostenrijkse als van haar vaders Nederlandse kant. Het meubilair van de onderduiketage is voor een groot deel afkomstig van de familie Joep Nicholas, die vóór WOII emigreerde naar de USA. Wolfgang Frommel verzamelde in de onderduiketage een grote bibliotheek met voornamelijk Duitse literatuur.

Gisèle gebruikte de ruimtes en inrichtingen deels als zelfrepresentatie. De objecten dienden als gematerialiseerd dagboek van haar eigen leven: haar afkomst, de personen in haar leven, haar kunst, haar fascinatie met vormen uit de natuur en haar reizen, waarvan ze diverse voorwerpen meebracht… Bij het doorlopen van de ruimtes wordt een bezoeker overspoeld door een veelheid van objecten, die allen een eigen verhaal lijken te vertellen, maar gezamenlijk het veelzijdige leven van Gisèle uitbeelden.

In 1981 kon Gisèle het naburige pand in de Beulingstraat kopen waar ze voor zichzelf een groot atelier inrichtte en waar haar eigen kunst, haar liefde voor het Griekse eiland Paros en haar fascinatie voor vormen uit de natuur op een schitterende manier samenkomen.

 

Mensen en verhalen

Gisèle en Wolfgang Frommel hadden beiden een uitgebreid netwerk in de Nederlandse en Europese intelligentsia. Daarvan zijn veelvuldige sporen terug te vinden in het huis: de archieven, de publicaties, boeken, kunstwerken en objecten.

Deze collectie vertelt verschillende verhalen die intens met elkaar verweven zijn en gemakshalve maar niet helemaal correct het Castrum Peregrini verhaal genoemd kan worden. Dit Castrum Peregrini verhaal heeft enkele hoofdlijnen: de levenswandel van respectievelijk Gisèle en Wolfgang Frommel. Zeker in het geval van Gisèle loopt die niet noodzakelijkerwijze altijd samen met het Castrum Peregrini verhaal.

 

Periodes en ontwikkelingen

De levensverhalen van Gisèle en Wolfgang kennen verschillende periodes, die vanaf hun eerste ontmoeting in 1941 grotendeels en letterlijk onder een gemeenschappelijk dak (Herengracht 401) zich ontwikkelen. Gisèle is dan 28 en Wolfgang 38 jaar oud. Beiden zijn opgegroeid in het buitenland, maar maken toch deel uit van een uitgebreid netwerk van Nederlandse intelligentsia, waar ze elkaar dan ook ontmoeten (bij Adriaan Roland Holst).

Gisèle nodigt Wolfgang uit om zijn Joodse pupillen onder te laten duiken in haar appartementje op de Herengracht. Hieruit ontstaat na de oorlog het Castrum Peregrini. Sociaal gezien delen ze een woongemeenschap van personen die jonger zijn dan henzelf, en waarvan ze de onbetwiste founding father en mother zijn. Deze gemeenschap is het eigenlijke Castrum Peregrini. Daarin vervullen ze elk een eigen rol.

Wolfgang Frommel ontwikkelt zich tot een spiritueel leider die met het tijdschrift Castrum Peregrini en  een geritualiseerde (mannelijke) vriendenkring een eigen wereld creëert. Deze spirituele wereld is voornamelijk geënt op het gedachtengoed van de Duitse dichter Stefan George. Gedurende zijn actieve leven reist Wolfgang een groot gedeelte van het jaar door Europa rond, om vrienden en (potentiële) auteurs voor het tijdschrift te bezoeken. Dit leidt tot een zeer uitgebreid en geëngageerd netwerk.

Gisèle neemt in de wederopbouwperiode na de oorlog de draad weer op als glazenier en toegepaste kunstenaar. Ze blijft Wolfgang Frommel en het Castrum Peregrini ondersteunen door onderdak te bieden en financieel bij te springen. Dat is ze tot haar einde in 2013 toe blijven doen. In de jaren vijftig ontmoet ze Arnold d’ Ailly, die dan burgemeester van Amsterdam is. In 1958 treden ze in het huwelijk en komt Arnold wonen op Herengracht 401. Gisèle gaat zich meer en meer richten op louter schilderkunst. Begin jaren zestig restaureren ze samen een kloostertje op het Griekse eiland Paros. Arnold sterft in 1967. Tot 1980 verblijft Gisèle de helft van het jaar op Paros. Vanaf 1982 blijft ze onafgebroken wonen in het pand Herengracht 40, dat in 1981 is uitgebreid met het aanpalende pand Beulingstraat 8 & 10. Ook Gisèle onderhoudt door veelvuldig reizen haar uitgebreid netwerk, dat ze, net zoals bij Wolfgang, op een elegante en onnavolgbare manier weet te instrumentaliseren voor haar diverse (kunst-)projecten (bvb. Weverij De Uil). Net als bij Wolfgang speelt haar persoonlijke interesses in de mensen die ze kiest hierin een grote rol.

In de Herengracht 401 zelf wonen decennia lang jonge mensen die zowel ingezet worden voor de uitgeverij als voor het huishouden. Afgezien van enkele constanten (Manuel Goldschmidt) verandert deze woongemeenschap voortdurend van samenstelling. Onder het min of meer welwillend oog van Wolfgang en Gisèle krijgt deze gemeenschap een eigen dynamiek en maakt ze een eigen ontwikkeling door. Dit wordt versterkt door de formele aspecten die eigen zijn aan de uitgeverij Castrum Peregrini en vanaf 1957 door de oprichting van de stichting Castrum Peregrini. In de decennia die daarop volgen wordt Castrum Peregrini langzaamaan een instituut dat voornamelijk in het buitenland een zeker aanzien geniet. De missie van de stichting en uitgeverij richt zich grotendeels op de Duitse dichter Stefan George. Gisèle is het met deze eenzijdige oriëntering niet altijd eens, maar blijft toch trouw aan het geheel.

Na de dood van Wolfgang in 1986 valt zijn vriendenkring uit elkaar in elkaar beconcurrerende vriendengroepjes. Ondanks, of beter gezegd, juist door de vastberadenheid waarmee maatschappelijke ontwikkelingen buiten de deur worden gehouden in de jaren die volgen, raakt de relevantie van met name de uitgeverij sluipenderwijs zoek. Buiten Gisèle dan, is de oud geworden oorlogsgeneratie niet van plan zich aan te passen aan de uitdagingen van de onstuitbare maatschappelijke veranderingen. Dit leidt tot generatieconflicten binnen Castrum Peregrini.

Pas in 2008, na het overlijden van de laatste onderduiker, kan een nieuw beginpunt worden gecreëerd: de uitgeverij wordt uitbesteed bij een Duitse uitgever en in Amsterdam wordt Castrum Peregrini een activiteitenorganisatie die haar kernwaarden ent op de waarden van haar ontstaansperiode: m.n. haar onderduikgeschiedenis in WOII. De aansluiting met het maatschappelijke discours wordt opnieuw gevonden, nieuwe creatieve netwerken worden aangeboord, nieuwe energieën revitaliseren Castrum Peregrini, dat intussen meer dan 65 jaar bestaat. En last but not least, een vernieuwde woongemeenschap zet Gisèle’ s en Wolfgangs traditie verder. De inmiddels hoogbejaarde Gisèle laat bij verschillende gelegenheden duidelijk merken blij te zijn dat ze deze ontwikkeling nog mee mag maken. In mei 2013 sterft ze in volle harmonie in haar atelier, haar eigen gecreëerde paradijs, omringd door haar jonge vrienden en haar dierbare objecten die aan haar geleefde leven herinneren.

Farewell Gisèle

1 June 2013

On 27 May 2013 Gisèle d’Ailly van Waterschoot van der Gracht, founder and patronate of Castrum Peregrini, died peacefully in her studio age 100. On 1 June 2013 we burried Gisèle at the Stompe Toren in Spaarnwoude in-between her husband and friends from Castrum Peregrini. We would like to share with you some photos taken by Simon Bosch and some of what was said during the private ceremony. We provide you with translations where possible. So please keep scrolling down.

We want to thank all of you who have made the farewell so memorable and we want to especially thank all of those, who have sent warm words of support and appreciation.

Frans, Michael, Lars

 

 

 

 

The first speech was by Michael Defuster, director of Castrum Peregrini. We provide you here also with an English and a German language version
.

Beste vrienden en familie van Gisèle,

Hier zijn we dan verenigd in dit veel te kleine kerkje, om de laatste eer te betuigen aan deze bijzondere vrouw, met wiens levendigheid en enthousiasme zoveel mensen zich tot op het laatst van haar lange leven konden vereenzelvigen, zodat het bijna vanzelfsprekend leek dat ze altijd deel zou blijven uitmaken van het onze. Een idee van haar onsterfelijkheid deed zich op die manier al aan ons allemaal voor toen ze nog onder ons was.

Hoewel Frans, Lars en ik de laatste vier jaren dag in dag uit met Gisèle het huis aan de Herengracht deelden en elke dag weer een beetje meer voorbereid werden op het einde dat onvermijdelijk zichtbaar werd, hoewel de laatste maanden de noodzakelijke woorden vervaagden die de praktijk van onze decennialange relatie in stand hielden en hoewel Gisèle zich gaandeweg terugtrok in haar eigen schelp van existentie, greep de definitiefheid en onomkeerbaarheid van haar dood ook ons toch nog bij de keel. Nu moeten allen die Gisèle liefhadden of vereerden het zonder haar doen. Er is niets in het leven, buiten het leven zelf dan, dat werkelijker is dan de dood.

Gisèle laat gelukkig geen ontredderde wezen achter, want haar vriendschapsbanden waren gefundeerd  op positieve krachten zoals vrijheid, sterkte, vreugde, delen, respect, avontuur…. Ze maakte er geen geheim van dat ze een speciale band met mannen had, zoals haar drie oudere broers altijd haar beste speelmakkers waren in haar kindertijd. Met vrouwen deelde ze warmte, intensiteit, trouw en vooral creëren.

De tijd waarin ze opgroeide zag de rol van de vrouw allerminst als zelfstandig. Daarom hield ze zich, sterk persoon die ze was, verre van relaties die uit vastgelegde afhankelijkheden bestonden. Die verstikten haar vrijheids-gevoel en haar eindeloze creativiteit, haar kunstenaarschap.

Die twee elementen, vriendschap en kunst, maken de essentie uit van Gisèle’s leven. Met deze beiden heeft ze haar leven gestalte gegeven en kon ze haar vrijheid waarborgen om uit te groeien tot de volledige mens die ze was: sterk en kwetsbaar, ernstig en vrolijk, vrij en verantwoordelijk, vederlicht en trouw, begrensd en open, toegankelijk en gesloten … alles tegelijk en toch weer apart.

Gisèle spreekt tot de verbeelding zoals een figuur uit een mooi sprookje dat doet. Waar ze ook kwam maakte haar uitstraling indruk, op jong en oud, geleerde en handwerker, man of vrouw. Ze wekte meteen de belangstelling van de aanwezigen. Daar zijn talloze anekdotes over te vertellen. Iedereen die haar heeft meegemaakt kent er wel een paar. Ik hoop er vandaag meerdere te horen.

De raadselachtigheid van die speciale aantrekkingskracht vonden we het beste verwoord in enkele versregels van de Oud Griekse dichter Pindaros, die we hebben gebruikt op de rouwkaart:

Creatures for a day! What is a man?

What is he not? A dream of a shadow

Is our mortal being. But when there comes to men

A gleam of splendour given of heaven,

Then rests on them a light of glory

And blessed are their days.


Van recentere datum is de publieke belangstelling voor haar levenswandel en de expliciete  boodschap die in haar persoonlijkheid besloten ligt. De schier eindeloze reacties op haar dood en de vele betuigingen van medeleven van mensen die haar nog nooit ontmoet hebben, maar die geraakt en geïnspireerd zijn via de vele publicaties en reportages van de laatste jaren in de media,  maken duidelijk dat Gisèle’s charisma, haar waarden, principes en daden een groot publiek aanspreken. Haar persoon vormt een projectievlak voor het goede en waardevolle in dit leven, dat het persoonlijke overstijgt. Gisèle was voorbeeldig in alles wat ze deed tijdens haar leven. Een voorbeeld zal ze blijven nu haar levenswandel tot een einde is gekomen.

Castrum Peregrini aan de Herengracht in Amsterdam is haar thuis geweest. Wij, de jongere generatie, zullen zorgen dat het dit blijft.

 

Dear friends and family of Gisèle,

Here we are, united in this too small little church to give last honors to a very special woman, with whose vitality and enthusiasm many could identify up to the last moment of her long life, so that it seemed almost self-evident that she would always be part of ours. That is why we already had an idea of her immortality when she was still amongst us.

Despite that Frans, Lars and I shared virtually every day of the last four years with Gisèle in her house at the Herengracht and each day we got prepared a little bit more for the unavoidable end that came in sight,

despite her language fading away in the last month and the lacking words that formed the basis of our relationship,

And despite that Gisèle withdraw more and more into the shell of her own existence,

Despite all that even we were hit by the finality and inevitability of her death that touched us deeply. Now, all of us that loved or admired Gisèle must live on without her. There is nothing in life, besides life itself, that is more real than death.

Luckily Gisèle does not leave us behind disoriented. Her friendships were grounded in freedom, strength, joy, sharing, respect, adventure.

She didn´t keep it a secret that she had a special bond with men, such as her three older brothers that were the dearest playmates of her childhood. With women she shared warmth, intensity, fidelity and especially creativity.

In the time that she grew up in, society didn´t give women an independent role naturally. That is why –with her strong personality- she kept a distance to relationships that consisted of determined interdependencies. They suffocated her desire of freedom and her endless creativity, her artistry.

Those two elements, friendship and art, form the essence of Gisèles life. With those two she configured her life and ensured her freedom to develop into the woman that she was: strong and vulnerable, serious and joyful, free and responsible, light as a feather and loyal, defined and open, accessible and contained… all at the same time and also all in their own respect.

Gisèle triggers our fantasy as a figure from a beautiful fairytale. Wherever she came her charisma made an impression, on young and old, on scholars and craftsmen, men and women. She immediately sparked the interest of those present. There are countless anecdotes of this phenomenon, everyone who knew her will be able to tell a few of them. I hope to hear some today.

We found the mystery of her attraction best expressed in a few lines of the ancient Greek poet Pindaros, which we used for the card announcing Gisèles death:

Creatures for a day! What is a man?

What is he not? A dream of a shadow

Is our mortal being. But when there comes to men

A gleam of splendour given of heaven,

Then rests on them a light of glory

And blessed are their days.

Of more recent date is the broad public interest for her life and the explicit message which her personality embodies. The nearly endless reactions on her passing away and the countless expressions of condolences of people that have never met her, but who are touched and inspired by the many publications and documentations in the media of the last years make it clear that Gisèle’s charisma, her values, principles and deeds appeal to a broader public. Her person and her image form a projection screen for the good and the precious in this life, which exceeds the purely personal. Gisèle was an example for all that she did in life. She will stay an example now that her life has come to an end.

Castrum Peregrini at the Herengracht in Amsterdam was her home. We, the younger generation, will make sure that it remains her home.

 

Liebe Freunde und Familie von Gisèle,

hier sind wir nun in dieser viel zu kleinen Kirche zusammengekommen, um einer ganz besonderen Frau die letzte Ehre zu erweisen, einer Frau von deren Lebendigkeit und Enthusiasmus sich bis in die letzten Tage ihres langen Lebens so viele Menschen anstecken und bezaubern ließen. Da ist es eine Selbstverständlichkeit, dass sie allzeit ein Teil unseres Lebens bleiben wird. Eine Vorstellung von ihrer Unsterblichkeit gewannen wir schon in jenen Tagen, als sie noch unter uns war.

Obwohl Frans, Lars und ich während der letzten 4 Jahre tagein tagaus das Haus an der Herengracht mit ihr teilten und täglich etwas mehr auf das unvermeidliche Lebensende vorbereitet wurden,

obwohl  in den letzen Monaten die für unser jahrzehntelanges Zusammenleben notwendigen Wörter weniger wurden, Zeichen Wörter zu ersetzen begannen,

Obwohl  Gisèle sich zunehmend in die Schalen ihrer eigenen Existenz zurückzog

packte auch uns die Endgültigkeit und Unumkehrbarkeit ihres Todes bei der Kehle. Nun müssen alle, die sie liebten und verehrten, ohne sie auskommen. Nichts im Leben, außer dem Leben selbst, ist wirklicher als der Tod.

Gisèle lässt uns glücklicherweise nicht orientierungslos zurück. Fundament ihrer Freundschaftsbeziehungen waren positive Kräfte wie Freiheit, Stärke, Freude, Freigiebigkeit, Respekt und Abenteuerlust. Ein besonderes Verhältnis hatte sie zu Männern, woraus sie kein Geheimnis machte, waren doch schon ihre drei älteren Brüder in der Kindheit ihre besten Spielkamerden gewesen. Bei Frauen suchte und fand sie Wärme, Intensität, Treue und vor allem Kreativität. Die Zeit, in der sie aufwuchs, kannte keine Selbständigkeit der Frau. Deswegen hielt sie sich, starke Frau die sie war, von Beziehungen fern, die aus festen Abhängigkeiten bestanden. Sie erstickten ihr Freiheitsgefühl, ihre grenzenlose Kreativität und ihr Künstlertum. Zwei Elemente, Freundschaft und Kunst, waren die Essenz von Gisèles Leben. Sie gaben ihrem Leben Gestalt, sie gewährten ihr die Freiheit, jener vollständige Mensch zu werden, der sie war: stark und verletzlich, ernst und fröhlich, frei und verantwortlich, leicht wie eine Feder und treu, begrenzt und offen, zugänglich und verschlossen… alles war sie zugleich und doch wieder getrennt.

Der Phantasie erscheint Gisèle wie eine Märchenfigur. Wohin auch immer sie kam, ihre Ausstrahlung beeindruckte Jung und Alt, Gelehrte und Handwerker, Männer und Frauen; sie weckte das Interesse aller Anwesenden.  Da wären viele Geschichten zu erzählen, und ich hoffe, am heutigen Tag auch noch einige zu hören. Die Rätselhaftigkeit ihrer Anziehungskraft fanden wir am besten in einigen Versen des griechischen Dichters Pindar ausgedrückt, die wir auf die Todesanzeige gesetzt haben.

Creatures for a day! What is a man?

What is he not? A dream of a shadow

Is our mortal being. But when there comes to men

A gleam of splendour given of heaven,

Then rests on them a light of glory

And blessed are their days.

Neueren Datums ist die öffentliche Wahrnehmung ihres Lebens und die explizite Botschaft, die von ihrer Person ausgeht. Die zahllosen Reaktionen auf ihren Tod und die vielen Bezeugungen von Anteilnahme seitens all jener, die ihr nie persönlich begegnet sind, aber bewegt und inspiriert sind durch die vielen Publikationen und Reportagen in den Medien während der letzten Jahre, machen deutlich, dass Gisèles Werte, Prinzipien und Taten, ihr Charisma, eine großes Publikum ansprechen.

Ihre Person taugt als Projektionsfläche für alles Gute und Wertvolle im Leben, welches das Reinpersönliche  übersteigt. Gisèle war vorbildlich in allem, was sie während ihres langen Lebens tat; ein Vorbild soll sie bleiben, nun, da ihr Erdenleben ein Ende gefunden hat. Castrum Peregrini an der Herengracht in Amsterdam war ihr Zuhause. Wir, die jüngere Generation, werden dafür Sorge tragen, dass es dies bleibt.

 


Erik Somers
spoke on behalf of the board of Castrum Peregrini.  We provide you here also with an English language version.

Gisèle

Vanuit mijn werkkamer bij het NIOD, het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie aan de Herengracht kijk ik jarenlang, dagelijks uit op het ‘huis aan de overkant’: het woonhuis van Gisèle, het huis van Castrum Peregrini. Vanuit mijn hooggelegen kamer heb ik goed zicht op het verscholen atelier van Gisèle met de hoge ramen die zo’n prachtig licht naar binnen door laten. De plek waar zij zich zo lang veilig voelde en in haar creaties werkelijkheid en mysterie bijeen wist te brengen. In dezelfde blik gevangen zie ik het pand ernaast. Onder de dakrand verscholen, de etage waar tijdens de oorlog jonge onderduikers, verscholen in een veilige burcht, de oorlog hebben overleefd.

Ik kende Gisèle niet, maar wist van haar bijzondere leven en van haar oorlogsverhaal. Gedreven door bewondering, en ik geef toe, ook door nieuwsgierigheid trok ik zo’n tien jaar geleden de stoute schoenen aan en toog naar ‘de overkant’ om met Gisèle kennis te maken. Velen hier aanwezig zullen mijn ervaring van toen herkennen:  Wie Gisèle ontmoet wordt gegrepen door haar innemendheid, haar hartelijkheid, haar optimisme, haar levenswijsheid en haar bevlogenheid voor de wonderen van de natuur, die vaak verscholen zitten in het kleinste detail. Ik voel me bevoorrecht dat ik in de ontmoetingen met haar nadien, telkens weer van deze bijzondere eigenschappen heb mogen ervaren.

Mijn drijfveer om Gisèle destijds te ontmoeten betrof vooral ook mijn fascinatie voor de geschiedenis van de onderduik op die bovenetage tijdens de bezetting. Onder de goede zorg van Gisèle en anderen, wist een groep Duits-Joodse en Nederlandse onderduikers uit de vriendenkring van dichter Wolfgang Frommel, de oorlog ongeschonden door te komen. Niet alleen fysiek, maar vooral ook mentaal. Frommel en Gisèle creëerden een uitzonderlijke omgeving waarin de artistieke ontwikkeling voorop stond. Het was een kunst- en poëzie-lievend gezelschap, die de tijd vooral doorbrachten  met elkaar voorlezen van eigen en vertaalde gedichten en met het maken van tekeningen en schilderijen. Voor deze groep jonge onderduikers was de  gemaakte sfeer van vriendschap, kunst en dichtkunst letterlijk van levensbelang.

Ik was in de ban geraakt van Gisèle en dit uitzonderlijke onderduikverhaal. Door Gisèle leerde ik ook Michael kennen. Hij speelde al enige tijd met de gedachte om aan de betrekkelijk onbekende geschiedenis van de onderduik – en waaruit Castrum Peregrini is ontstaan – meer inhoud te geven. Gezamenlijk realiseerden we het plan in het pand van het NIOD een tentoonstelling te wijden aan het werk en leven van Gisèle tijdens de onderduik, maar ook aan de artistieke creaties van de hechte onderduikgemeenschap van vrienden. Gisèle leek aanvankelijk aarzelend tegenover het plan te staan; het moest vooral geen hommage aan haar worden.

De expositie kwam er. Vanuit mijn persoonlijk perspectief gezien heette de tentoonstelling ‘Het Huis aan de overkant’. Eind april 2007, de dag dat Gisèle de tentoonstelling kwam voor-bezichtigen, staat in mijn geheugen gegrift. Ik had haar inmiddels beter leren kennen, en kende ook haar reputatie dat zij meedogenloos kon zijn als iets haar echt niet beviel. Vanuit mijn raam zag ik aan de overkant de tengere gestalte van Gisèle over de trap haar pand uitkomen, in gezelschap van Michael en Lars.  Aangekomen aan de andere zijde van de gracht, bekeek ze zwijgend de tentoonstelling. Een ongemakkelijke stilte. Maar ineens, sloeg ze haar handen dichtgevouwen voor haar mond, en zei geroerd: ‘prachtig’. Het voelde voor Michael en mij alsof we geslaagd waren voor ons eerste schoolexamen.

Niet eerder trok een tentoonstelling in het NIOD zoveel bezoekers. Samen met Michael, stelden wij de bundel ‘Gisèle en haar onderduikers’ samen, en de auteurs van de bundel verzorgden een lezingen-cyclus over de thematiek. Het belang van de aandacht voor het bijzondere verhaal van de onderduik was, dat er opnieuw gekeken werd naar het fundament waarop het na-oorlogse Castrum Peregrini is opgebouwd. Het wierp ook een nieuw licht op haar tijdens de bezetting gevormde levensopvatting, en op de betekenis van haar inspirerende en toegewijde rol na de oorlog bij de vorming en het mogelijk maken van Castrum Peregrini, zoals het vandaag de dag bestaat.

De afgelopen jaar heeft het Castrum Peregrini, waarvan Gisèle beschermvrouw is, een grote verandering door gemaakt. Er is teruggekeerd naar de elementaire waardes uit de onderduik: vriendschap en de liefde voor kunst en cultuur. Zij dienen als  uitgangspunten voor een creatieve, begripvolle en mondige samenleving. Was de onderduikburcht eens een verborgen, heimelijke plek voor artistieke uitdaging en vertrouwen; het huidige Castrum Peregrini is, weliswaar in de geest van toen, een open en transparante plek; een podium voor eigentijdse, vernieuwende  en uitdagende culturele activiteiten en debat. Zelfs de onderduiketage, die vrijwel nog geheel ingericht is als toen, wordt voor bepaalde gelegenheden opengesteld. De ruimte wordt nu gekoesterd als een tastbare plaats van herinnering en een plek voor bezinning en ontmoeting.

‘Heldin van de Herengracht’ stond er boven het ‘in memoriam – artikel’ in de Volkskrant van afgelopen woensdag. Deze betiteling voor haar rol in de oorlog zou Gisèle niet hebben bevallen. Zelf heeft ze aan het oorlogsverhaal altijd weinig ruchtbaarheid willen geven. Maar toen ze in 1998 de Yad Vashem onderscheiding kreeg voor haar onderduikhulp, werd ze met regelmaat op het oorlogsverhaal aangesproken. Zelf zei ze altijd, dat ze gedaan heeft wat ze moest doen. Met als groot goed, dat deze inspanningen haar geestelijk verrijkten, vriendschappen voor het leven boden en bovenal een onschatbare inspiratiebron waren voor voortdurende  geestelijke, maatschappelijke en artistieke ontplooiing. Aan deze waardes wordt nu – nog meer dan voorheen – invulling gegeven door Castrum Peregrini. Michael, Lars en Frans, die haar zo dierbaar waren, hebben zich laten inspireren door de betekenis van haar opvattingen en levensinvulling. Haar grote verdienste is dat zij aan deze herinnering aan de oorlog een continuïteit heeft gegeven voor nu en later. In dat opzicht is zij terecht de heldin van de Herengracht, of vanuit mijn perspectief: heldin van de overkant.

 

Gisèle

From my office at NIOD, the Dutch Institute for War Documentation on the Herengracht, I look out every day at the house across the canal: the house where Gisèle lived, the house of Castrum Peregrini. My vantage point gives me an excellent view of her secluded studio, lit so beautifully by its high windows. This was the place where Gisèle for so long felt safe, and could combine reality with mystery in her creative work. Next door, hidden under the eaves, I can see the floor where young people found safe refuge and survived the war.

I did not know Gisèle, but had heard of her extraordinary life and of her wartime history. Driven by admiration, and – I must admit – also by curiosity, ten years ago I summoned up the courage to go across the water and make her acquaintance. Many of you will recognise how I felt. Whoever meets Gisèle is deeply touched by her charm, her open-heartedness, her inspiration, her optimism, her wisdom and her passion for the wonders of nature, down to the smallest detail. I feel privileged to have experienced these very special qualities in our many subsequent encounters.

My motivation to meet Gisèle was first of all the fascination for the history of the people in hiding on that upper floor during the German occupation. Because of the care Gisèle and others gave them, a group of young German-Jewish and Dutch artists and intellectuals, belonging to the circle of friends of the poet Wolfgang Frommel, managed to survive untouched – not only physically but above all mentally. Frommel and Gisèle created an exceptional environment in which artistic development was paramount. It was a group of people who loved art and poetry, and spent their time reading each other their own or translated poems and making drawings and paintings.  The atmosphere created by the young people in hiding was literally a matter of life and death.

Having fallen under the spell of Gisèle and this exceptional story I also got to know Michael. For some time, he had already been developing the idea of providing more content and visibility to the relatively unknown history of the hiding place, from which Castrum Peregrini evolved. Together we mounted an exhibition in the NIOD building, dedicated to the life and work of Gisèle during the war, and also to the artistic creations of the close-knit community of friends. Initially Gisèle seemed reluctant: she was afraid that it would become homage to her rather than to the group as a whole.

The exhibition opened and, reflecting my personal perspective, was called ‘The house across the canal’. The day towards the end of April 2007 when Gisèle came to inspect it is etched on my memory. I knew her better by then and also knew her reputation for being merciless, if she did not like something.  From my window I saw Gisèle’s fragile figure leave the building in the company of Michael and Lars.  She crossed the canal and inspected the exhibition wordlessly. An awkward silence.  But suddenly she put her hands together in front of her mouth and said “beautiful”. She was moved. Michael and I both felt as if we had passed our first school exam.

Never before had a NIOD exhibition attracted so many visitors. Together with Michael, we put together the collection of articles ‘Gisèle and her people in hiding’ and the authors of the book organised a cycle of presentations on the themes of the book. The importance of this extraordinary story of the hiding place was that it drew renewed attention to the basis on which Castrum Peregrini was built after the war. It shed new light on Castrum’s life philosophy, as it was formed during the occupation, and the importance of Gisele’s inspiring and dedicated role in the development of Castrum Peregrini, as it exists today.

In the last few years, Castrum Peregrini, of which Gisèle is the patron, has changed a lot. The elementary values from the period in hiding have resumed a central role: friendship and the love of art and culture. They serve as points of departure for a creative, understanding and emancipated society.  While the hiding fortress once was a secret place of artistic challenge and trust,  the current Castrum Peregrini is – in that same spirit – an open and transparent place, a stage for  contemporary , innovative and challenging cultural activities and debate Even the hiding floor, decorated in the same way as before, is opened on special occasions. The space is being treasured as a tangible place of memory, reflection and encounter.

‘Hero of the Herengracht’ was the title of the obituary in last Wednesday’s Volkskrant. This characterisation of her wartime role would not have pleased Gisèle.  She did not want to give any publicity to her wartime story. But since 1998, when she was given the Yad Vashem award for her support to people in hiding, she has regularly been approached to tell that story. She always said ‘she did what she had to do’, and that the experience enriched her spiritually, led to lifelong friendships and above all was an invaluable source of inspiration for her spiritual, societal and artistic development. It is these values that – more than ever before – are being treasured and realised by Castrum Peregrini. Michael, Lars and Frans, who were so dear to her, have been inspired by her and by the importance of her ideas and the meaning they gave to her life. Her greatest merit is that she gave continuity to this memory of the war for now and for later. In this respect she is very rightfully the hero of the Herengracht and from my perspective the hero from ‘across the canal’.

 

 

Leo van Santen spoke as a friend and archivist of Gisèle. We provide you here also with a German language version.

Mijn huis staat op het punt waar de Leidsegracht op de Herengracht uitkomt, en men herkent mij aan mijn neus.” Dit waren de eerste woorden die Gisèle met de karakteristieke adellijke stem sprak, toen ik mij in 1986 telefonisch bij haar meldde voor een afspraak. Mijn germanistische leermeester Alexander von Bormann had mij namelijk gevraagd om zijn Amsterdamse vriendin met enkele klusjes te helpen. Het vermoeden dat ik met een wereld buiten de normaliteit in contact stond, werd de daaropvolgende zaterdag bevestigd tijdens mijn tocht met de gammele lift naar de vierde verdieping van Herengracht 401, tijdens mijn snelle blik naar rechts in Gisèles aan het feodale Oostenrijk herinnerende woonkamer en ten slotte tijdens de afdaling via de trap naar het nog spierwitte Parische atelier. Door de ateliertunnel lopend zag ik eerst op de achtermuur de op het Griekse eiland Paros geschilderde ondergaande zon en opkomende maan. Gisèle zelf stond links daarvan in een blauwe skibroek met een penseel in haar hand voor de schildersezel. Op de plaats waar later mijn werktafel zou staan, mocht ik op een houten kruk gaan zitten en als vanzelfsprekend betrok Gisèle mij meteen bij de technische details van haar schilderwerk. Sindsdien maakte ik deel uit van haar onconventionele leven en had ik er in dat opzicht een leermeesteres bij. Het gevoel van verbondenheid en vertrouwen dat ze mij toen al gaf, zou tot het eind toe duren.

De zaterdagen bleven in Gisèles agenda voortaan gereserveerd voor mijn bezoeken. “Zijn die klusjes eigenlijk al eens af?” of nieuwsgieriger “Wat doe je daar toch allemaal?” vroegen mensen mij in de loop der jaren. Ik legde dan het vaste verloop van de dag uit. ’s Ochtends dronken we in de atelierkeuken koffie – Gisèle altijd met drie scheppen suiker –, aten we taart en bespraken we haar en mijn afgelopen week. Vervolgens werd in het atelier de post bekeken, beantwoord en in het archief opgeborgen, dat ik volgens Gisèles ongewone systematiek heb opgezet. Omdat Gisèle nooit een brief weggooide – waarschijnlijk om ook zo het kunstwerk van haar leven vast te houden –, bevat het archief nu alle brieven onder meer van de Oostenrijkse familie van haar moeder uit kasteel Hainfeld, van haar vader tijdens diens verblijf als geoloog in Amerika, van haar leermeester in het glazeniersvak Joep Nicolas en van Bergense kunstenaars als de dichter Adriaan Roland Holst. Ook aanwezig zijn de brieven aan Gisèle van de dichter Wolfgang Frommel en zijn Castrum-Peregrinikring, die in de onderduiktijd tijdens de Tweede Wereldoorlog in haar huis ontstond.   

Om 13.00 uur aten Gisèle en ik door mij bij Lanskroon gekochte saucijzenbroodjes, die zij met bosbessenjam besmeerde, naar eigen zeggen omdat ze dat tijdens haar jeugd in Amerika zo had geleerd. De lunch werd steevast besloten met een portie ijs. Behalve voor het ordenen van haar schilderijen en bibliotheek was de middag bestemd voor lange sessies aan mijn tafel in het atelier waarin Gisèle aan de hand van agenda’s en dagboeken mij over haar leven dicteerde. Ook werkten we aan haar gedichten. Tussen de bedrijven door vertelde ze afwisselend in het Nederlands, Engels, Duits en Frans vele anekdotes alsook haar opvattingen over beeldende kunst en literatuur. Dat ik meeging in haar taal- en onderwerpsprongen, leek ze niet meer dan normaal te vinden. De dag eindigde met een souper, zoals Gisèle dat noemde, in een Grieks restaurant aan het Singel, waar Paros-wijn werd geschonken. Het deed haar denken aan het jarenlange verblijf in het Parische klooster Agios Ioannis, dat ze in 1965 vlak voor diens dood met haar echtgenoot en voormalig burgemeester van Amsterdam Arnold d’Ailly had betrokken. Uiteraard sprak Gisèle met de restauranteigenaar Grieks.      

De laatste jaren, toen Gisèle geestelijk en lichamelijk zwakker was geworden, kon ze ons programma steeds moeizamer volhouden en lag ze tussendoor langere periodes op haar divan te slapen. Ook lukte het niet meer om naar het Paros-restaurant te gaan. Het souper werd nu in de atelierkeuken klaargemaakt door Gisèles trouwe verzorgsters Osti of Erdmute en daar in hun gezelschap door ons opgegeten. Een maand geleden zei Sherida, die Gisèle palliatieve zorg verleende en op wie ze zichtbaar gesteld was, dat ik geen saucijzenbroodjes meer hoefde mee te brengen, omdat ze nauwelijks nog at. Ik duidde dit als teken dat Gisèle had berust in het onvermijdelijke gevolg van haar ouderdom. Afgelopen maandag zou ze op de leeftijd van 100 jaar in Sherida’s aanwezigheid op bed haar laatste adem uitblazen.

Twee weken geleden bezocht ik Gisèle voor het laatst. Toen ik bij het weggaan de ateliertrap naar de lift opliep, draaide ik me halverwege om en zwaaide nog naar haar. Door Sherida hierop geattendeerd zwaaide ze van achter de keukentafel terug en lachte. Eergisteren zag ik Gisèle schitterend opgebaard liggen op de midden in de ateliertunnel neergezette divan, niet ver van de plaats waar ik haar 27 jaar geleden had ontmoet. Achter Gisèle doemde in het atelier haar kunstwereld op met duidelijk zichtbaar de ondergaande zon en opkomende maan. “Nu ben ik mijn wekelijkse onderdompeling in Gisèles wereld en daarmee een belangrijke houvast in het leven kwijt,” zei ik tegen Frans Damman, die mij begeleidde. Maar terecht antwoordde hij: ”Vergeet niet dat je de herinnering aan de bijzondere Gisèle levenslang zult behouden.”

Ik laat Gisèle nu vaarwel zeggen met het slotgedicht ‘Farewells’ uit haar in 1995 verschenen bundel Parian Poems. Het wegvliegen van haar geliefde Paros in 1982 is hierbij als metafoor te beschouwen voor haar definitieve wegvliegen naar de hemel vijf dagen geleden:

 

I flying and my heart

Full of farewells

Farewell to Paros

To friends farmers fishermen

To pre-election roaring Athens.

 

I flying over bundles of cloud

Ravelling round the Muse’s Mount

Cephalonia’s foam-footed cliffs

And the purple void of the Ioanian Sea.

No more beaches for Arethusa

Or anyone else.

 

A steamer like a bug far below

Heads for Apulia

And I fly north.

Mein Haus steht an dem Punkt, wo die Leidsegracht in die Herengracht mündet, und man erkennt mich an meiner Nase.” Das waren die ersten Worte, die Gisèle mit der charakteristischen adligen Stimme sprach, als ich mich 1986 für eine Verabredung telefonisch bei ihr meldete. Mein germanistischer Lehrmeister Alexander von Bormann hatte mich nämlich gebeten, für seine Amsterdamer Freundin einige Gelegenheitsarbeiten zu verrichten. Die Vermutung, dass ich mit einer Welt jenseits der Normalität in Kontakt stand, wurde am darauffolgenden Samstag bestätigt: während meiner Fahrt im wackeligen Aufzug in den vierten Stock der Herengracht 401, während meines schnellen Blicks nach rechts in Gisèles ans feudale Österreich erinnerndes Wohnzimmer und zum Schluss während des Treppenabstiegs ins noch blütenweiße parische Atelier. Durch den Ateliertunnel gehend sah ich zunächst an der Rückwand die auf der griechischen Insel Paros gemalten Bilder der untergehenden Sonne und des aufgehenden Monds. Gisèle selbst stand links in blauer Skihose mit einem Pinsel in der Hand vor ihrer Staffelei. Am Platz, wo später mein Arbeitstisch stand, durfte ich mich auf einen Holzhocker setzen und wie selbstverständlich sprach Gisèle mit mir sofort über die technischen Einzelheiten ihrer Malerei. Seitdem war ich Teil ihres unkonventionellen Lebens und hatte in der Hinsicht eine Lehrmeisterin dazubekommen. Das Gefühl der Verbundenheit und des Vertrauens, das sie mir damals schon gab, sollte bis zum Ende währen.

Die Samstage blieben in Gisèles Agenda für meine Besuche reserviert. “Sind die Gelegenheitsarbeiten eigentlich schon mal erledigt?” oder neugieriger “Was machst du da denn alles?” fragten mich viele im Lauf der Jahre. Ich erklärte dann den festen Tagesablauf: Morgens tranken wir in der Atelierküche Kaffee – Gisèle immer mit drei Löffeln Zucker –, aßen Kuchen und besprachen ihre und meine vergangene Woche. Anschließend wurde im Atelier die Post durchgegangen, beantwortet und ins Archiv eingeordnet, das ich nach Gisèles ungewöhnlicher Systematik aufgebaut habe. Weil Gisèle nie einen Brief wegwarf – wohl um auch so das Kunstwerk ihres Lebens festzulegen –, umfasst das Archiv heute alle Briefe, die ihr u.a. von der österreichischen Verwandtschaft ihrer Mutter aus Schloss Hainfeld, von ihrem Vader während dessen Aufenthalts als Geologe in Amerika, von ihrem Lehrmeister in der Glasmalerei Joep Nicolas und von Künstlern aus Bergen wie dem Dichter Adriaan Roland Holst geschrieben wurden. Auch vorhanden sind die Briefe an Gisèle von dem Dichter Wolfgang Frommel und seinem Castrum-Peregrinikreis, der in ihrem Haus während des Zweiten Weltkriegs im Versteck entstand.

Um 13.00 Uhr aßen Gisèle und ich von mir bei Lanskroon gekaufte Wurstbrötchen, die sie mit Heidelbeermarmelade bestrich, nach ihrer Angabe, weil sie das während ihrer Jugend in Amerika so gelernt hatte. Der Lunch wurde üblicherweise mit einer Portion Eis beschlossen. Außer für das Ordnen ihrer Gemälde und Bücher war der Nachmittag für lange Sitzungen an meinem Ateliertisch vorgesehen, in denen Gisèle anhand von Agenden und Tagebüchern mir über ihr Leben diktierte. Auch arbeiteten wir an ihren Gedichten. Unterdessen erzählte sie abwechselnd auf Niederländisch, Englisch, Deutsch und Französisch viele Anekdoten sowie ihre Auffassungen über bildende Kunst und Literatur. Dass ich mit ihren Sprach- und Themensprüngen mitmachte, schien sie für normal zu halten. Der Tag endete mit einem Souper, wie Gisèle das zu nennen pflegte, in einem griechischen Restaurant am Singel, wo Paros-Wein ausgeschenkt wurde. Es erinnerte sie an den jahrelangen Aufenthalt im parischen Kloster Agios Ioannis, das sie 1965 kurz vor dessen Tod mit ihrem Gatten und ehemaligem Amsterdamer Bürgermeister Arnold d’Ailly bezogen hatte. Selbstverständlich unterhielt sich Gisèle mit dem Restaurantbesitzer auf Griechisch.

Die letzten Jahre, als Gisèle geistig und körperlich schwächer geworden war, konnte sie unser Programm immer mühsamer durchhalten und lag zwischendurch längere Perioden auf ihrem Diwan zum Schlafen. Auch gelang es nicht mehr, zum Paros-Restaurant zu gehen. Das Souper wurde nunmehr in der Atelierküche von Gisèles treuen Pflegerinnen Osti oder Erdmute zubereitet und dort in deren Gesellschaft von uns aufgegessen. Vor einem Monat sagte Sherida, die Gisèles Palliativpflege übernommen hatte und bei der sie sich sichtlich behaglich fühlte, dass ich keine Wurstbrötchen mehr mitbringen solle, weil sie kaum noch esse. Ich deutete dies als Zeichen, dass Gisèle sich mit der unvermeidlichen Folge ihres Alters abgefunden hatte. Am vergangenen Montag tat sie im Bett als Hundertjährige in Sheridas Gegenwart den letzten Atemzug.

Vor zwei Wochen besuchte ich Gisèle zum letzten Mal. Als ich beim Weggehen die Ateliertreppe zum Aufzug hinaufging, drehte ich mich auf halbem Wege um und winkte ihr noch zu. Von Sherida darauf aufmerksam gemacht, winkte sie von ihrem Platz am Küchentisch zurück und lachte. Vorgestern sah ich Gisèle glänzend aufgebahrt liegen auf dem mitten in den Ateliertunnel gestellten Diwan, nicht weit von der Stelle, wo ich sie vor 27 Jahren getroffen hatte. Hinter Gisèle tauchte im Atelier ihre Kunstwelt auf mit – deutlich sichtbar – der untergehenden Sonne und dem aufgehenden Mond. “Jetzt habe ich mein wöchentliches Eintauchen in Gisèles Welt und damit einen wichtigen Halt im Leben verloren,” sagte ich Frans Damman, der mich begleitete. Mit Recht antwortete er jedoch: ”Vergiss nicht, dass du die Erinnerung an die einzigartige Gisèle dein Leben lang behalten wirst.”

Ich lasse Gisèle sich jetzt mit dem Schlussgedicht ‘Farewells’ aus ihren 1995 erschienenen Parian Poems verabschieden. Das Wegfliegen von ihrem geliebten Paros im Jahr 1982 ist hier als Metapher für ihr endgültiges Wegfliegen in den Himmel vor fünf Tagen zu betrachten:

 

I flying and my heart

Full of farewells

Farewell to Paros

To friends farmers fishermen

To pre-election roaring Athens.

I flying over bundles of cloud

Ravelling round the Muse’s Mount

Cephalonia’s foam-footed cliffs

And the purple void of the Ioanian Sea.

No more beaches for Arethusa

Or anyone else.

A steamer like a bug far below

Heads for Apulia

And I fly north.

 

Cees van Ede and his late partner Maud Keus produced the magnificent documentary Het Steentje van Gisèle. Cees read out a poem, which he dedicated to Gisèle.

Een leven vol kunst
Maar de kunst van het leven
Is jou god gegeven
En grootste talent

Je stralende wezen
Door Bloem ooit omschreven
Als ‘engel’ is onwerelds
Maar aards evident

En op het moment
Dat Beckmann je tekende
Zag hij, Gisèle
Precies wie je bent

Want al wat je aanraakt
Al is het maar even
Verandert in iets
Wat nog niet is gekend

 

Joke Haverkorn van Rijsewijk, founder of Weverij de Uil, where all of Gisèles tapestries where woven, read a poem in memory of Gisèles time on Paros

AJOS JOANNIS: IV

Teruggekeerd op vroege schreden,
zonder jou
maar met jou
in elk vezel
van mijn leven,
sta ik in de ruimte
met alles wat werd liefgehad.

De wind fluit buiten
om de muren
en in de wijde cirkel
van de baai
werpen schepen
met gereefde zeilen
het anker uit.
Ontkomen aan een wilde zee.

Onder het blauwe vierkant
van een onbewogen hemel
ben ik opnieuw te gast
binnen de muren,
die wit gebleven
en binnen de stilte,
stil zoals altijd.

 

On behalf of the family, Antoinette Baan spoke, the daughter of Gisèles late husband Arnold d’Ailly, but also Daniel Bozhkov, Julliet Gooden and Roger Platt, who read a poem on behalf of Frank Platt

Loveliest of what I leave behind is the sunlight,
and loveliest after that the shining stars and the moon’ s face,
but also cucumbers that are ripe,
and pears, and appels.

Praxilla of Sicyon

 

At the grave Ute Oelman, friend and board member of Castrum Peregrini, head of the Stefan George Archive in Stuttgart read the following poem of Friedrich Hölderlin

Die Linien des Lebens sind verschieden,
Wie Wege sind, und wie der Berge Gränzen,
Was hier wir sind, kann dort ein Gott ergänzen
Mit Harmonien und ewigem Lohn und Frieden.

 

 

Please also have a look at the obituaries about Gisèle published in the Dutch press.

 

 

 

Het steentje van Gisèle

 

 

Documentaire Portret van Gisèle d’Ailly van Waterschoot van der Gracht

Als dochter van een Oostenrijkse barones en een Nederlandse geoloog leidde Gisèle d’Ailly van Waterschoot van der Gracht als kind een nomadenbestaan, dat bepalend werd voor de rest van haar leven. Ze reisde de hele wereld over waarbij Amerika, Oostenrijk, Frankrijk, Nederland en vooral Griekenland de belangrijkste pleisterplaatsen werden. Van jongs af aan wist ze dat ze schilderes zou worden, een passie die ze erfde van haar vader. In de loop der jaren heeft ze een groot en zeer divers oeuvre opgebouwd.  Regie: Cees van Ede. Productie: Maud Keus, NPS, 1997

klik hier om de documentaire Het Steentje van Gisèle (60min) te bekijken:

Het Steentje van Gisèle - Cees van Ede en Maud Keus

Het Steentje van Gisèle – Cees van Ede en Maud Keus

Persbericht: Gisèle overleden

 

Gisèle

11 september 1912 – 27 mei 2013

 

M.G.J.M. d’Ailly van Waterschoot van der Gracht

 

Maandagavond 27 mei is de kunstenares Gisèle op ruim 100 jarige leeftijd thuis in haar atelier overleden. Ze wordt in besloten kring begraven op de begraafplaats De Stompe Toren bij Spaarnwoude.
.

Gisèle by Koos Breukel

Photo Koos Breukel

Het leven van Gisèle d’Ailly van Waterschoot van der Gracht leest als een sprookje.  Geboren in 1912 in Den Haag, als dochter van de Nederlandse geoloog Willem van Waterschoot van der Gracht en de Oostenrijkse barones Josephine von Hammer Purgstall, groeide ze op in de Verenigde Staten en Oostenrijk. Gisèle volgde haar opleiding aan de Académie de la Grande Chaumière en de Ecole Nationale des Beaux Arts in Parijs.

Midden jaren ’30 vestigde zij zich voor het eerst in Nederland. Gisèle ging in de leer bij de bekende Nederlandse glasschilder Joep Nicolas in Zuid-Limburg. Vlak voor het uitbreken van de Tweede Wereld oorlog verhuisde zij met haar ouders naar Bergen NH en maakte daar kennis met Nederlandse kunstenaars en schrijvers. In 1940 vestigde zij zich aan de Herengracht 401 in Amsterdam, waar ze de rest van haar leven is blijven wonen.

Tijdens de oorlogsjaren was haar huis een onderduikplek voor Joodse scholieren. Gisèle nam niet alleen de materiële zorg op zich voor haar jonge onderduikers maar wijdde hen in en beoefende met hen kunst en literatuur, die de jonge onderduikers een bovengemiddeld inzicht verschaftte in de buitenwereld, waarvan ze zelf jarenlang geen deel van uit konden maken. Voor Gisèle was vriendschap en kunst essentiële voorwaarden voor het leven. Deze onderduikervaring heeft hen doen besluiten na de oorlog de culturele stichting Castrum Peregrini – ‘burcht van de pelgrim’- op te richten, de nom de guèrre van het schuiladres. Hiermee creëerde zij een open huis voor schrijvers, dichters en kunstenaars en legde de basis voor de huidige culturele stichting Castrum Peregrini, die in haar diverse activiteiten de band tussen het individu en de maatschappij belicht: vriendschap en cultuur zijn de fundamenten voor betekenisvolle vrijheid.

Gisèle is een veelzijdig kunstenaar die veel glas-in-lood ramen heeft gemaakt – o.a. in Amsterdam in de R.K. Begijnhof kerk en de Krijtberg aan het Singel, wandtapijten voor de SS Rotterdam het schip van de Holland Amerika lijn en veel schilderijen zowel figuratieve, fantasie- en mythische figuren als abstract werk.

In ’59 huwde zij de naoorlogse Burgemeester van Amsterdam, Arnold d’Ailly. Ruim 25 jaar woonde en werkte zij elke zomer in haar atelier op het Griekse eiland Paros, Griekenland.

In 1997 werd haar naam gegraveerd in de eremuur in de tuin der rechtvaardigen, bij Yad Vashem, Jerusalem. In 2011 ontving Gisèle uit handen van burgermeester Eberhrad van der Laan een Koninklijke onderscheiding.

Dinsdagavond 28 mei wordt om 23:55uur op Nederland 2 de documentaire ‘Het Steentje van Gisèle’ uitgezonden, destijds gemaakt door Cees van Ede en Maud Keus.

 

Voor vragen en / of beeldmateriaal

 

Frans Damman

Stichting Castrum Peregrini

Herengracht 401

1017 BP AMSTERDAM

E: f.damman@castrumperegrini.nl

T: 020 6235287

 

Gisèle 12 september 1912 – 27 mei 2013

Creatures for a day! What is a man?

What is he not? A dream of a shadow

Is our mortal being. But when there comes to men

A gleam of splendour given of heaven,

Then rests on them a light of glory

And blessed are their days.

(Pythian 8, Pindaros)

 

Niet onverwacht maar toch onverhoeds is van ons heengegaan na een rijk en productief leven dat volledig in het teken stond van kunst en vriendschap

Gisèle d’Ailly –

van Waterschoot van der Gracht

Ze overleed in de leeftijd van 100 jaar.
Gisèle was  de beschermvrouwe van Castrum Peregrini
Namens Castrum Peregrini ,
Frans Damman, Lars Ebert en Michael Defuster
27 mei 2013
Herengracht 401, 1017 BP Amsterdam

 

Gisèle

 

Hier de advertentie van 31 Mei 2013 in de Frankfurter Allgemeine Zeitung:

Capture

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Volkskrant, 29 mei 2013

VK2

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

heldin

 NRC, 31 mei 2013

NRC

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Het Parool, 30 mei 2013

Parool

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

TROUW, 30 mei 2013

TROUW

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Frankfurter Allgemeine Zeitung, 31 mei 2013

FAZ

 

 

 

 

 

 

The Many Manifestations of Castrum Peregrini

AnaisAnaïs van Ertvelde graduated with distinction on the history of Castrum Peregrini in summer 2012, following an internship in the framework of our collaboration with the the Graduate Gender Programme of Utrecht University .

With her MA-thesis The Many Manifestations of Castrum Peregrini Anaïs places the many layers of Castrum Peregrinis history in the perspective of the current discourse in the field of memory and heritage studies. Her porposal to see Castrum Peregrinis history as a rizom leads her to a new material look and makes one curious about her follow up reseach.

Go ahead an read The Many Manifestations of Castrum Peregrini, it is worth while. And feel free to comment and add thoughts below.

 

Castrum Peregrini in 2012 and 2013

Looking back and ahead

.
IMG_24682012 was an exciting year at Castrum Peregrini. 4 years after the opening of our new project space, following a quite radical reorganization, we feel on the right track towards what we want to be: an intellectual playground. We believe in the necessity to constantly create awareness about and rethink the fundamental relationship between one’s personal life experience and the burning urgencies of our time as a precondition for a healthy democracy and an inclusive society. To that end we reach back to the roots of our foundation: during WWII, the Castrum Peregrini hiding group experienced that real freedom only can be reached in trust and with the help of culture. Castrum Peregrini uses this heritage and a broad pallet of cultural and artistic expressions to highlight the various aspects of broad themes such as freedom, friendship and culture.

In the last years we have explored fundamental themes, putting scrutiny on the relationship of individuals towards society: in 2011 Fanaticism (We Are All Fanatics), in 2012 Freedom (In Me, The Paradox of Liberty ) and in 2013 it will be Friendship (My Friend. My Enemy. My Society). These series of events include a glossy magazine broadly disseminated nationally and internationally, an opening evening with a keynote speech, music and discussion, an exhibition, lectures, theatre, a residency, radio and much more. It was crucial to organize such broad events in partnership with other organizations. Our role is  to initiate, to orchestrate diversity, streamline communication and editing of content.

The series In Me, The Paradox of Liberty in May/June 2012 has been seen as a success by both public and press. We have learned a great deal and have hence further developed the concept for the 2013 series on friendship during early autumn. Together with a fantastic group of partners we have prepared an elaborate funding application and the first positive reactions on our plans have reached us from the funds just before Christmas.

In September we opened the new season with the My Future Heritage exhibition followed by some exciting programs with partners from Amsterdam: the Fringe Festival for the 4th time in a row staged two theatre plays in the project space of Castrum Peregrini. From the end of September until the beginning of November the price wining graduates of the Gerrit Rietveld Academie showed existing and new work, partly related to the Castrum Peregrini history under the title [S]ELECTED. During two salon evenings the aspect of artistic talent and of context were discussed with experts from the art world and the public.

5 November we opened the doors for the 3rd time for the Museum Night Amsterdam. The programme Art in Hiding, Art in Crisis featured many artistic and scholarly contributions and draw approximately 900 visitors.

In the month of November Castrum Peregrini  again hosted a residency  supported and organized by the Goethe Institute Amsterdam. This year with Rajkamal Kahlon, a Berlin based artist from the USA . Rajkamals work focuses on post-colonial structures, on pain and beauty and their interrelatedness. She found plenty of inspiration working in the archive of the Tropen Museum and a lot of food for thought in her experience of the Sinterklaas en Zwarte Piet tradition in the Netherlands.

The exhibition Now and Then: Between Layers of Memory had a great opening and we are looking forward to have the artist Josif Király as a resident in February 2013. He will then produce his work for Amsterdam that will be presented during the Finissage on 9 February 2013.

The exhibition forms a very nice point of departure for our European Community funded project InsideOut which we have launched in Paris last December. We are proud to have won the bid for this 2 year project, with a consortium of 8 partners from 8 EU countries. Together with the Goethe Institute Paris, Castrum Peregrini has taken the initiative and has written the application for this project on innovative ways to deal with cultural memory and heritage. Castrum Peregrini’s history and heritage is our strength and our challenge at the same time. The experiences of the last years, working for instance with artist Amie Dicke in our historic interiors, was a strong motivation for us to initiate this project on participation and  the role of the contemporary artist in cultural heritage settings.  Castrum Peregrini has a unique body of cultural heritage, ranging from tangible heritage to a rich palimpsest of life stories representing the vibrant history of 20th century Europe. The project offers a unique occasion to further professionalize, collect good practice and participate in knowledge transfer about innovative approaches to heritage and memory. Engaging in this  European agenda will help Castrum Peregrini in the development of its premises for a broader public.

And talking about history and memory: in March we had to say farewell to Manuel Goldschmidt, who was a friend of Castrum Peregrini since the war years and a former director of the foundation. He was burried in Sparnwoude in-between the Castrum Pregrini friends.

A  highlight of 2012 was certainly the 100th birthday of our founder and patronate Gisèle. We are happy and feel privileged that Gisèle witnessed and encouraged  the changes in ‘her’ Castrum Peregrini in the last years. It is very dear to us that she can so much enjoy the developments that she finds crucial for the ‘next generation’ as she has so beautifully expressed in a RTV-NH documentary.

Looking back on 2012 we can say that we have achieved the goals that we have set ourselves when we took off with the new plans in 2009. We have developed a profile for our activities programme which is seen as unique, we have settled the brand Castrum Peregrini, we have acquired trust in the world of funds and we have worked on a vision to deal with our heritage. The development of the programme would not have been possible without the active input of our broad creative network , which is represented by the programme advisory group: Michiel van Iersel, Iris van der Tuin, Eric Wie, Anneke Janssen, Jan Baeke, Truus Ophuysen,  Chris Julien, Alfred Marseille and Joachim Umlauf.  The strategic development of the foundation is supported by a board, to whom we are also grateful: Jan Rozenbroek, Erik Somers, Jan Baeke, Marius Reintjes, Wouter Poot, Ute Oelmann and Maarten Meijer.  And last but not least, we want to thank our interns and our volunteers with whom we work on a regular basis.

So what is up for 2013? We start the year with the launch of the book De waarheid is een vrouw, in February, which we have published together with Uitgeverij Cossee, featuring a selection of essays that have been written for and presented in the Castrum Peregrini series Mythes in the last two years. It includes excellent contributions of Bas Heijne, Joke Hermsen, Maria Barnas, Jan Baeke e.a. Come to the launch in February or get a copy at your local bookstore.

The series of events My Friend. My Enemy. My Society. in April-June aims to highlight the far-reaching social relevance of friendship. How do concepts of friendship impact on society and how does society impact on friendship? Through the unique aspect of friendship connecting the individual with society it can be made clear that politics, as the power to form society, begins at the core of the individual.

We will work of course a lot on the new project InsideOut and will continue our work in partnerships such as with the Gerrit Rietveld Academie, VPRO De Avonden, The Goethe Institute, Hard//hoofd, Amsterdam Comité 4 en 5 Mei and many more.

A crucial step will be the next phase in the strategic organizational development. It is now time to develop the building with an integral plan that includes the need to secure and restore the historic interiors and the collections, the income generation for financial long-term sustainability, the cultural programme and a place for all our partners and our creative network. We are encouraged to do that by a start-up funding we got through the ‘transitie regeling’ of the AFK to conduct a feasibility study. And of course that will include writing and submitting a lot of follow-up applications, research and planning documents, etc. .

So here is to you: stay with us and as supportive as you all have been in the last years. Contributions are more than welcome! Participate and have your say,- it is crucial for us and for the future of Castrum Peregrini!

Frans, Michael, Lars

Gisèle – Freunde von Freunden & Die Zeit

Freunde von Freunden

 

Portrait of Gisèle by Thijs van Velzen, pictures by Jordi Huisman

Gisèle d’Ailly van Waterschoot van der Gracht is a woman of the castle. She never learned how to use a stove or how to prepare fried eggs. She simply never had to learn it. She let herself be carried away by the stillness of thick brick walls. Pealing paint from the ceiling, men hiding in the structure of ornaments, fluttering of bird wings, fish bone revealing hooded figures. read the complete article, including the pictures

 

This portrait is part of an ongoing collaboration with ZEIT Online, Die Zeit presents a special curation of FvF pictures on their site.

DWDD – Gisèle ontvangt Jakhals Erik

DWDD – vrijdag 19 oktober 2012

kunstenares Gisèle (1912) ontvangt Jakhals Erik 

Gisèle 100: receptie

 11 september 2012
.

.
Toespraak van Michael Defuster, directeur Castrum Peregrini:

 ”

Lieve Gisèle, geachte burgemeester, beste verwanten, vrienden en bewonderaars van Gisèle,

Ik heet jullie als directeur  van de stichting Castrum Peregrini welkom op de viering van de 100ste verjaardag van haar beschermvrouw.

Ik zal u niet vermoeien met een lange welkomstspeech, hoewel ik het best wel moeilijk vind om een korte laudatio te houden over zulk een veelzijdig persoon. Ik geloof dat niemand hier aanwezig eraan twijfelt dat men over Gisèle alleen maar in lofuitingen kan spreken.

Ik wil zoveel mogelijk ruimte laten voor burgemeester van der Laan die zo attent is om Gisèle te eren met zijn welbespraakte aanwezigheid.

Maria Smook Krikke zal daarna het boekwerkje Gisèle en haar Bergense Connecties presenteren. Een klein maar fijn boekwerkje, dat ze schreef in opdracht van het Museum Kranenbrug uit Bergen, waar aanstaande zaterdag de bijhorende tentoonstelling geopend wordt en waar jullie allen natuurlijk van harte welkom zijn. Informatie kun je vinden op de bar in de ruimte hiernaast.

Patrick Amtsberg, Gisèle’s  buurman en een van haar vele bewonderaars,  heeft uitgerekend wat 100 jaar betekent in de tijdseenheden waarmee we doorgaans ons dagelijks leven indelen:

  • In een eeuw worden meer dan 3 miljard seconden weggetikt
  • Dat zijn bijna 53 miljoen minuten.
  • Dat betekent dat Gisèle al bijna  880duizend manuren rondloopt op deze planeet.
  • Die uren vormen samen de bijna 37 duizend dagen waarin ze haar rijke leven gestalte heeft gegeven
  • En meer dan 5 duizend weken en 12 honderd maanden scheiden haar geboorte-uur van het moment waarop we hier samenzijn om deze bijzondere vrouw te eren.

Gisèle is één van die personen die de kunst verstaan om elke minuut te benutten om hun innerlijke roeping te vervullen. En Gisèle heeft meteen twee roepingen meegekregen, waardoor ze haar dagen dubbel benut: de eerste betreft kunst in het algemeen en schilderkunst in het bijzonder, de tweede is haar passie voor mensen. Van allebei heeft ze in die honderd jaren met grote toewijding en enthousiasme en een onuitputtelijke liefde een enorm oeuvre opgebouwd.

Voor degenen die enigszins bekend zijn met haar kunst blijft het verrassend om telkens weer nieuwe dingen te ontdekken die ze in haar productieve leven schiep: kerkramen, portretten en schilderijen, wandtapijten, beeldhouwwerken, diverse voorwerpen voor de kunstnijverheid… Er is nauwelijks een discipline die Gisèle niet heeft beoefent. Ik weet niet of iemand ooit de moeite genomen heeft om het  aantal werken te tellen die uit haar hoofd en handen ontsproten is, maar het moet zonder meer een hoog getal met drie nullen zijn. Hier ligt nog een veld braak voor onderzoek.

Diezelfde flexibiliteit, nieuwsgierigheid en drive vind je ook in haar omgang met mensen. Gisèle is uitgerust met de gave om haast feilloos binnen te glippen in iemands emotionele systeem. Hoewel ik haar meer dan 30 jaar ken vind ik het nog altijd een raadsel hoe ze deze chemie tot stand kan brengen. Laten we het gemakshalve charisma noemen: haar verschijning, haar uitstraling en wellicht nog belangrijker: haar sociale intelligentie en haar liefde voor mensen die oprecht zijn en mooi vanbinnen en vanbuiten…  Met alle personen die ze heeft leren kennen, verstaat ze de kunst om een persoonlijke band op te bouwen. En wees ervan verzekerd, dat doet ze uit overtuiging.

Met een aanstekelijke lichtheid en vrolijkheid zweeft Gisèle boven de grote thema’s en drama’s van haar tijd, die ze soms aanraakt of waaraan ze soms doortastend participeert, maar die ze telkens wonderbaarlijk achter zich kan laten zonder er merkbare sporen van te dragen. Deze regeneratieve kracht bezit ze tot op de dag van vandaag en maakt dat ze altijd zichzelf kan blijven, in wat voor situatie dan ook, het meisje dat begin 20ste eeuw in Ponca City in de Wild Wild West het liefste speelde met leeftijdgenootjes van de naburige indianenstam. Homo Ludens is een term die voor haar uitgevonden lijkt te zijn.

Gisèle is een modern mens: ze is thuis in de wereld en tegelijkertijd verbonden met de plek waar ze woont. Bij die moderniteit hoort een vanzelfsprekende portie gespletenheid, of, als je wilt, dubbelheid. Ze combineert de feestelijkheid en raffinesse  van het oude Europa met de dynamiek en de can do mentaliteit van de Verenigde Staten, waar ze haar formatieve jaren doorbracht. Diep respect voor het oude, combineert ze verbluffend met openheid voor verandering….

Beste mensen, ik moet mijzelf onderbreken want ik kan hier nog eindeloos mee verder gaan. Het is moeilijk stoppen.

Maar laat mij nog één voorbeeld noemen van de inspiratie die jongere generaties uit Gisèle’s levenswandel halen: de huidige stichting Castrum Peregrini heeft haar kernwaarden vrijheid, vriendschap en cultuur heimelijk geënt op Gisèle.

Om de ware betekenis van vrijheid te ontdekken en te kunnen beleven  zijn vriendschap en cultuur onontbeerlijke grootheden. Rondom deze centrale boodschap organiseert de stichting talloze activiteiten en zet zo het werk voort van deze grote vrouw.

Burgemeester Eberhard van der Laan, aan u het woord.

 

Toespraak van burgemeester Van der Laan bij de 100-ste verjaardag van mevrouw Gisèle d’Ailly, 11 september 2012

 

 

Mevrouw d’Ailly,

Van harte gefeliciteerd met uw 100-ste verjaardag. Het bereiken van een dergelijke mijlpaal in een mensenleven is slechts weinigen gegeven. Het is alleen weggelegd voor de allersterksten.

Vorig jaar mocht ik u een Koninklijke onderscheiding uitreiken en memoreerde ik het verhaal van Godfried Bomans: de 100-jarige. Het verhaal van Bomans begint ermee dat hij de 100-jarige aanspreekt alsof die niet helemaal meer goed bij zijn hoofd is. De 100-jarige laat merken dat hij geheel compos mentis is en wel weet dat ie 100 is geworden en hij vraagt: Vanavond komt de burgemeester met een schemerlamp en een enveloppe met inhoud. Die schemerlamp kan me niet schelen, maar die enveloppe interesseert me. Wat doen ze daar gewoonlijk in?

Dames en heren,

Ik beloofde dit jaar langs te komen wanneer Gisèle d’Ailly haar verjaardag zou vieren. Ik heb weliswaar geen schemerlamp meegenomen, maar wel een enveloppe met een schriftelijke gelukwens, die ik Gisèle aanstonds zal overhandigen.

Waarde mevrouw Gisèle d’Ailly,

Uw leven staat al een eeuw in het teken van kunst en cultuur. Ruim zeventig jaar geleden betrok u de derde verdieping betrok van dit pand. Hier hebt u onderduikers verborgen voor wie u ook de kost verdiende door portretten te schilderen. Hier ontstond ook het idee van de stichting Castrum Peregrini, onder het motto van de onderduikgroep ‘vrijheid, cultuur en vriendschap’. Deze ‘burcht voor onverzettelijken’ heeft zich in de loop der tijd uitgebreid. In fysieke zin kocht de stichting – daartoe door u in staat gesteld – dit gehele pand aan en later verwierf de stichting de twee huizen om de hoek in de Beulingstraat. Inhoudelijk richtte de stichting zich op het uitgeven van Duitstalige literatuur en een literair tijdschrift. Daarnaast organiseert Castrum Peregrini lezingen en discussie-avonden over actuele, culturele en maatschappelijke onderwerpen, de salons, die nu ‘intellectual playgrounds’ heten. U was daar decennia lang de drijvende kracht van. De stichting gaat in uw geest verder, richt zich nu op een breder publiek en blijft reflectie en discussie bevorderen. Het is uw uitdrukkelijke wens dat de stichting zich blijft vernieuwen, en zich niet richt op het conserveren van het oude.

U doet denken aan het boek uit 1938 van Johan Huizinga: Homo Ludens, wat spelende mens betekent. De Homo Ludens op de ‘intellectual playgrounds’. Huizinga’s betoog komt hier op neer: echte cultuur kan zonder zeker spelgehalte niet bestaan, want cultuur veronderstelt zekere zelfbeperking en zelfbeheersching, zekere vatbaarheid om in haar eigen strekkingen niet het uiterste en het hoogste te zien, doch zich besloten te zien binnen zekere vrijwillig aanvaarde grenzen. Cultuur wil nog altijd in zekeren zin bij onderlinge afspraak naar bepaalde regels gespeeld worden. Echte beschaving eischt altijd en in ieder opzicht fair play, en fair play is niet anders dan het in speel-termen uitgedrukte equivalent van goede trouw. De spelbreker breekt de cultuur zelve. Zal dat spelgehalte der beschaving cultuurscheppend of -bevorderend zijn, dan moet het zuiver zijn. Het moet niet bestaan in verdwazing of in afval van de normen die door rede, menschelijkheid of geloof zijn voorgeschreven.”

Waarde mevrouw Gisèle d’Ailly,

Al honderd jaar speelt u het spel der beschaving met verve. U bracht zelfs het spelelement in uw huwelijk in met Arnold d’Ailly, in 1959.  Arnold stelde aan u de eis dat u dagelijks zou  blijven schilderen. Aan die voorwaarde hebt u zich tot vorig jaar kunnen houden. U stelde aan hem de eis dat de twee molens aan de Haarlemmerweg zoden worden behouden door de gemeente. Ze zijn inderdaad dankzij hem behouden gebleven.  (Een is er later verhuisd naar Osdorp). Wat je noemt trouwen op huwelijkse voorwaarden.

Mevrouw Gisèle d’Ailly-van Waterschoot van der Gracht

Ik acht mijzelf een bevoorrecht burgemeester dat ik op het eeuwfeest mag komen van de vrouw die van zichzelf zegt dat zij de  “natste” achternaam van Nederland heeft  (Van Waterschoot van der Gracht). Ik zou u eigenlijk willen vragen hoe het komt dat u zo oud bent geworden. Maar daar zult u ongetwijfeld op antwoorden: ach burgemeester, dat is gewoon een kwestie van geduld. Het gaat eigenlijk vanzelf, ik heb er niets voor hoeven doen.”

Gisèle d’Ailly, van harte gefeliciteerd. Lang zal je leven!

Foto’s van Simon Bosch

 

 

 

 

Gisèle 100: foto’s

100th birthday Gisèle!

11 September 2012

.
These pictures were taken by Jordi Huisman in September 2012 for Freunde von Freunden. One of them was also used for the birthday article in the Frankfurter Allgemeine Zeitung. Leave your birthday wish in the comment field below.

.

Gisèle 100: FAZ

Frankfurter Allgemeine Zeitung

10. September 2012

 

Retterin des Geistes

‘Gisèle en de anderen’ – mister Motley

‘Gisèle en

de anderen’

mister Motley 2012

Hanne Hagenaars, de hoofdredacteur van mister Motley is tevens curator van bijbehorende tentoonstelling De Nederlandse Identiteit? Half suiker, half zand te zien tm 23 september in Museum De Paviljoens Almere.

.

Het verhaal “Gisèle en de anderen’ pag 31 – 35 wordt verteld door kunstenares Yeb Wiersma. Zij bezocht de inmiddels bijna 100-jarige Gisèle in haar atelier en reisde samen met haar door Gisèle’s rijk gevulde eeuw. Uitgebreid en sensitief vertelt Yeb het verhaal van de personen en de plek met bijzondere aandacht voor de ontstaansgeschiedenis van stichting Castrum Peregrini in Gisèle’s appartement aan de Herengracht 401. Yeb belandde ook in de nog in authentieke staat bewaard gebleven onderduiketage, waar op dat moment kunstenares Amie Dicke aan het werk was, samen met haar assistente fotograaf Anniek Mol.

“de chronologie van de tijdlijn biedt een frame voor het vertellen van verhalen.” Hanne Hagenaars

In het dubbeldikke nr 32 van ‘mister Motley’ wordt de tijdlijn van de recente geschiedenis vanaf WOII met de kunst verweven om zo aanvulling te geven op de canon. De wederopbouw, de watersnoodramp, de voormalige Nederlandse koloniën, de Rotterdamse haven, Srebrenica, ‘veelkleurig Nederland’ – hoe reflecteren kunstenaars op de onderwerpen uit de canon? Met deze keuze van kunstwerken uit de afgelopen vijftig jaar wordt de canon uitgerekt tot een complex en gelaagd verhaal.

Op de tentoonstelling in De Paviljoens is een ‘installatie’ van Amie Dicke te zien gemaakt van meegebrachte suikerzakjes en zeepjes van reizen door heel Europa, deze zijn afkomstig uit de onderduik etage. Verder is er werk te zien van: Tiong Ang, Gijs Assmann, Pedro Bakker, Jasper de Beijer, Paul Beumer, Gilles de Brock & Jaap Giessen, Nik Christensen, Hans Citroen, Amie Dicke, Jan Dietvorst, Gilbert van Drunen, Uta Eisenreich, Hadassah Emmerich, Daan van Golden, Kaleb de Groot, Maja van Hall, Toine Horvers, Simonka de Jong, Hamid El Kanbouhi, Iris Kensmil, Natasja Kensmil, Johan van der Keuken, Friso Keuris, Rob van Koningsbruggen, Marijn van Kreij, Otobong Nkanga, Ronald Ophuis, Oksana Pasaiko, Wim T. Schippers & Willem de Ridder, Charlotte Schleiffert, Henk Wildschut, Zijlmans & Jongenelis.

.

C.I.N.V.U.

C.I.N.V.U.

een kunstwerk

in de vorm van

een tijdschrift

Op zondag 1 juli om 12.00 uur werd bij Athenaeum Nieuwscentrum op het Spui in Amsterdam C.I.N.V.U.  (spreek uit: See I envy you) gepresenteerd. Een project van Christian van der Kaap (1989).

.

www.cinvu.nlDeze jonge Amsterdamse kunstenaar studeerde in 2010 af aan de Gerrit Rietveld Academie. Zijn werk wordt gekenmerkt door intieme samenwerkingen met anderen, vaak ambachtslieden. Opmerkelijk zijn onder meer de titels van zijn werken. Een voorbeeld hiervan is onder andere zijn eerste solo expositie ‘SOLO: the maker ain’t so lonely as before, 2010′ in Het Concertgebouw waarin hij het enige werk dat te zien was uitbesteedde aan een Italiaanse ambachtsman. En zijn eigen huwelijk, waarvan hij een kunstwerk maakte waarin hij ‘de ander’ wel heel erg dichtbij liet komen, getiteld ‘Freedom/Vulnerability, 2012’. Het tijdschrift C.I.N.V.U. is zijn omvangrijkste samenwerking tot nu toe, met bijdragen van: Rory Pilgrim, Gijs Frieling, Jaap Scheeren, Sands Murray–Wassink, James Lee Byars, Amie Dicke / Castrum Peregrini, Mo Swillens, Dore van Duivenbode, Jan Hoek en vele anderen. De bijdrage van Amie Dick aan C.I.N.V.U. is tot stand gekomen in de authentieke onderduik etage van Castrum Peregrini – fotografie: Anniek Mol. Meer afbeeldingen van Dicke’s werk bij Castrum Peregrini zijn te zien op de tentoonstelling MY FUTURE HERITAGE open: zaterdag 25 augustus, vanaf 16uur of op afspraak.

Op de hier bijgevoegde foto van de binnenzijde C. I.N.V.U. is aan de rechterzijde van de spread een handgeschreven gedicht van de dichter A. (Jani) Roland Holst aan Gisele van Waterschoot van der Gracht afgedrukt, gedateerd 11 september 1941, voor Gisele’s 29e verjaardag. Op dinsdag 11 september a.s. vieren we haar 100e verjaardag. Met de typewriter uit de onderduik etage is een boodschap toegevoegd t.g.v. dit project.