N.E.S.#3 Pierre Bismuth & Ives Ensemble

Concert / exhibition

NEW EARS SALON

Zondag 6 september 15 – 18:30uur

met Pierre Bismuth

NES logoDe 3e editie van deze samenwerking tussen castrum Peregrini en het Ives Ensemble. Ditmaal staat beeldend kunstenaar Pierre Bismuth centraal. De in Frankrijk geboren Bismuth is een van belangrijkste conceptuele kunstenaars van dit moment. Zijn werk vormt een technisch en esthetisch consistent oeuvre met ondermeer films (in 2004 won hij een Oscar voor best original screenplay voor de film The Eternal Sunshine of the Spotless Mind), installaties, foto’s en video’s. In samenwerking met John Snijders, artistiek leider van het Ives Ensembleis Bismuth bezig met een project waarin gesproken woord omgezet wordt in muziek. Voor meer informatie: 06 27078042, reserveer tijdig uw toegangskaarten p.p. € 35,- (incl. hapjes & drankjes) via Email: info@ives-ensemble.nl

Memory Machine II – update

Beste vrienden

van Castrum Peregrini,

.
140906_CP_beeldmerk_Memory_Machine_met_naam_en_ondertitel_altEen spannend jaar ligt achter ons, met een rijk programma over collectief geheugen, Europese projecten zoals Silent Heroes, artistiek onderzoek van Amie Dicke en natuurlijk onze continue queeste naar de juiste omgang met erfgoed in het licht van prangende maatschappelijke vragen van vandaag. Hierbij blijven onze kernwaarden vrijheid, vriendschap en cultuur, die voortkomen uit Castrum Peregrini’s onderduikverleden, van onschatbare waarde.

Het programma bouwt vanaf september 2015 voort op deze uitkomsten, door inhoudelijke lijnen ver

der te ontwikkelen en nieuwe thema’s op het gebied van collectief geheugen en identiteit op de kaart te zetten. Deze thema’s worden verder ontwikkeld door het verkennen van identiteitspolitiek in een reeks van lezingen, debatten en artistieke programma’s. In samenwerking met Dutch Culture/Creative Europe Desk beginnen we dit najaar de Europa Salons, waarin de verhouding Nederland-Europa verkend wordt vanuit een cultuursociologisch invalshoek en als onontkoombare realiteit voor het culturele veld.

Vanaf februari 2016 gaat Castrum Peregrini met twee achtereenvolgende tentoonstellingen het themaveld Geheugen en Media op de kaart zetten (gecurateerd door Radna Rumping en Paco Barragan). Deze tentoonstellingen worden begeleid door een reeks lezingen, gesprekken en radioprogramma’s.

486A0760Castrum Peregrini zal in het komende seizoen voor het eerst gebruik maken van het atelier van haar oprichtster Gisèle. Door de samenwerking met kunstenaar Amie Dicke is de laatste jaren een visie ontstaan op het omgaan met historisch erfgoed, op basis waarvan het atelier stapsgewijs ontsloten kan worden om vanaf november 2015 als publieksruimte te dienen. Dit grijpt Castrum Peregrini aan om de relatie tussen ruimte, object en herinnering in haar programma verder te verkennen.

De galerieruimte op de begane grond wordt vanaf september ingericht als co-working space voor makers uit ons creatief netwerk. Hierover hoor je spoedig meer.

AMB_3974Castrum Peregrini heeft een Europese project, European Academy of Participation, in samenwerking met het Goethe Institut Lyon, toegekend gekregen. Dit zal haar in staat stellen om aan het lokale programma, dat gestoeld is op erfgoed en hedendaagse kunst, een internationaal aanbod toe te voegen op het gebied van diversiteit en engagement. Ook deze thema’s komen zowel voort uit het verleden van Castrum Peregrini, als de urgente maatschappelijke vraagstukken van vandaag. European Academy of Participation wil theorie en praktijk van omgaan met ‘het ander’ en ‘artistiek engagement’ bij elkaar brengen door middel van denktank meetings en nieuwe educatieve modules die gezamenlijk aangeboden worden door diverse Europese  universiteiten, kunstacademies en culturele instellingen. Castrum Peregrini en Goethe Institut hebben het voortouw genomen voor dit driejarige samenwerkingsprogramma voor 10 instellingen uit 9 Europese landen.

mmmIn mei 2016 zal de volgende uitgave van het inmiddels bekende one-off tijdschrift (Memory Machine II) verschijnen. De distributie zal ook in de volgende editie weer 110 000 lezers bereiken. In De Gids kun je unieke literaire beschouwingen lezen die aan het activiteitenprogramma van Castrum Peregrini gekoppeld zijn.

Castrum Peregrini richt zich met haar netwerk op de doelgroep van de makers, opinieleiders, kunstenaars en intellectuelen die een verschil maken door hun eigen werk. Castrum Peregrini biedt daarmee inspiratie voor nieuw werk en maartschappelijke verandering.

Om uitnodigingen voor evenementen te ontvangen, schrijf een mail naar mail@castrumperegrini.nl

Wij kijken uit je te zien op Herengracht 401.

Frans, Michael, Lars

.

v.l.n.r Frans Damman, Mcihael Defuster, Lars Ebert in Gisèle's salon. Photo by Reli Avrami.

Europa Salons

Een serie voor cultuurmakers over de Europese dimensie in hun werk.

Vanaf September 2015 bij Castrum Peregrini.

De dominante politieke visie in Nederland en Europa is binnen twee decennia verschoven van het sociale- naar het identiteitsperspectief. Europese maatschappijen die hun politieke basis vonden in solidariteit, opwaartse mobiliteit, gelijkheidsgedachte en maakbaarheid, zijn gaandeweg getransformeerd tot maatschappijen waarin identiteitspolitiek deze rollen heeft overgenomen. Solidariteit is vervangen door identificatie met de eigen nationale, culturele, religieuze, generationele of etnische groep. Het primaat van de eigen verantwoordelijkheid van het neoliberale gedachtengoed blijkt wonderwel te passen binnen deze paradigmawisseling.

De Nederlandse en Europese culturele sector heeft als een van de eersten deze omslag aan den lijve ondervonden door de rigoureuze bezuinigingen en de harde eis van de kwantificeerbaarheid van de culturele onderneming. Voor zover ze nog niet is opgegaan in de commerciële mainstream van het amusementswezen, worstelt de sector momenteel met haar rol als zelfstandige commentator op de maatschappij en het mens-zijn. Om de eigen positie binnen deze ontwikkelingen te kunnen bepalen is het bredere Europese perspectief daarbij onontbeerlijk. In de serie Europa Salon nodigen Castrum Peregrini en Dutch Culture u uit om dit aan de hand van afwisselend analyserende en praktijkgerichte gesprekken uit te zoeken.

150831_CP_uitnodiging_Europa_Salons_DEF

 

15 september 20 uur
Identity Politics I

Stephan Sanders leest een ‘Brief aan een oude marxist’ en gaat vervolgens in gesprek met Merijn Oudenampsen. Het publiek wordt uitgenodigd mee te praten. De ‘brief’ wordt gepubliceerd in de zomernummer van De Gids en website van Castrum Peregrini waar ook Merijn Oudenampsen de mogelijkheid heeft te publiceren.

 

20 oktober, 16 uur
Europa Doen I

We need to realise we are Europeans before we belong to  a region or a nation’ Janne Teller

Het nieuwe cultuurstelsel is in aantocht. De culturele en creatieve sector wordt uitgedaagd om na te denken over de komende periode.  Het Europees cultuur beleid wordt toegelicht als inspiratie voor het schrijven van het kunstenplan ( 2017-2020).

 

10 november, 20 uur
Identity Politics II

Bas Heijne speaks about the many manifestations of Identity Politics today. With a respons of Diana Pinto, Paris. The positions shall be published a.o at the website of Castrum Peregrini. Te public is invited to join the conversation online and live.

10 december, 16 uur
Europa Doen II

Nog niet definitief uitgewerkt.

O Muze! – portretten van Gisèle

O Muze!

De Hallen Haarlem Zomerserie

6 juni t/m 30 Augustus 2015

voor deze grote zomertentoonstelling in museum De Hallen Haarlem zijn er drie ‘portretten’ van Gisèle van Waterschoot van der Gracht geselecteerd, van Joep Nicolas, Charlotte van Pallandt en Koos Breukel.

De mooi uitgevoerde, verzorgde catalogus bevatte de onderstaande tekst geschreven door conservator moderne kunst Antoon Erftemeijer  Frans Hals Museum / De Hallen Haarlem:

portret J Nicolas 1935 Foto Arend Velsink

portret J Nicolas 1935 Foto Arend Velsink

GISÈLE VAN WATERSCHOOT VAN DER GRACHT (1912-2013)

Vele kunstenaars hebben haar geportretteerd. De glazenier/schilder Joep Nicolas meermaals, toen zij hem als jonge vrouw in de jaren 1930 assisteerde bij diens glas-in-loodwerken en hem boeide door haar uiterlijk en artistieke talent.1 Dan de Duitse schilder Max Beckman, toen deze tijdens de Tweede Wereldoorlog in Amsterdam ondergedoken zat; hij noemde haar later ‘eine meiner Getreusten’.2 De beeldhouwster Charlotte van Pallandt vereeuwigde haar markante hoofd. En de fotograaf Koos Breukel maakte een serie portretfoto’s van haar toen zij 100 jaar was geworden. Gisèle van Waterschoot van der Gracht – over haar gaat het hier – kon op dat moment terugkijken op een niet alleen lang, maar ook artistiek vruchtbaar en zeer internationaal leven met vele inspirerende contacten.

Zelf inspireerde zij niet alleen mede-kunstenaars tot portretten als de genoemde, en later in haar leven tot een documentaire en zelfs een roman (‘Gisèle’ (2012) van Susan Smit). Ook was zij steun en toeverlaat voor collega’s en anderen die in de Tweede Wereldoorlog bij haar onderdoken of anderszins een beroep op haar deden, onder wie ook schrijvers als Adriaan Roland Holst en Eddy du Perron. Haar eigen beeldende werk is zeer veelzijdig, variërend van schilderijen en ruimtelijke werken tot series wandtapijten en expressieve glas-in-loodramen (Nieuwe Bavo te Haarlem, Begijnhof te Amsterdam, en elders). Kunst maken was voor haar een zoektocht: ‘Het màg niet anders dan moeilijk zijn’, stelde zij zelfs ooit.3 Vernieuwing schuwde zij allerminst, zij het vanuit een besef van afhankelijkheid van het verleden: ‘Als het goed is, begint men waarschijnlijk steeds weer opnieuw, hoewel nooit iets zomaar uit het niets komt. Wat boven de aarde zijn kop uitsteekt, spruit altijd voort uit de zaadkorrel eronder. Tussen wat is en wat was is altijd een samenhang.’4

In het pand Herengracht 401, Gisèles vaste woning en uitvalsbasis sinds 1941, werd door haar, de Duitse dichter Wolfgang Frommel  en anderen in 1950 het eerste nummer van het literaire tijdschrift ‘Castrum Peregrini’ uitgebracht. Daarmee werd de basis gelegd voor een enkele jaren later officieel opgerichte stichting met dezelfde naam en op hetzelfde adres, met een muzische culturele bestemming: uitgeverij van een eigen tijdschrift en boeken, evenementenplek, en ruimte voor exposities en ontmoetingen. Een inspirerende en internationaal gerichte, geëngageerde ‘intellectual playground’ (zoals het centrum zich tegenwoordig noemt5) waarvan Gisèle decennialang beschermvrouwe en drijvende kracht is geweest. [A.E.]

Joep Nicolas (1897-1972)

Portret van Gisèle van Waterschoot van der Gracht, 1935

Olieverf op doek,102 x 78 cm

Amsterdam, Collectie Castrum Peregrini

Charlotte van Pallandt (1898-1997)

Gisèle van Waterschoot van der Gracht, 1966

Brons, 56 x 38 x 27 cm

Eelde, Museum De Buitenplaats

Koos Breukel (1962)

Portret van Gisèle van Waterschoot van der Gracht, 2012

Inktjetprint, 60 x 40 cm [incl. lijst]

Amsterdam, particuliere collectie

1 – Twee andere portretten van Gisèle dan het hier gereproduceerde zijn in het bezit van de Roermondse Stichting 1880 (zie Stedelijk Museum Roermond). Zie over de relatie Nicolas-Gisèle o.a. Van der Varst 2014 en Nicolas White 1979. 2 – Smook-Krikke 2012, 47. 3 – Van Waterschoot van der Gracht 1956. 4 – Van Keulen en Van Waterschoot van der Gracht 1979. 5 – Zie verder de website van Castrum Peregrini (www.castrumperegrini.org).

catalogus O Muze! De Hallen Haarlem

catalogus O Muze! De Hallen Haarlem

catalogus O Muze! De Hallen Haarlem

catalogus O Muze! De Hallen Haarlem

 

Don’t Mind The Ghosts

Exhibition

Don’t Mind The Ghosts

Around You

AKV St Joost 2015MA Photography AKV│ST. Joost Graduation Exhibition

26 June – 5 July 2015

Opening Friday 26 June, 17 – 20hrs

Aljaz Celarc, Sanne Feenstra, Wim de Leeuw, Hristina Tasheva, Merel Theloesen, Nina Vossen

follow them working on their exhibition on: facebook.com/dmtgay

 

important-souvnirs

Nov 2013- Nov 2015

Een samwenwerking tussen

kunstenares Amie Dicke en Castrum Peregrini.

Amie Dicke: “When I first saw the scribble saying ’DO NOT TOUCH~ I am sorting important souvnirs’ on top of an untouched pile of papers, this message perfectly described my own observations at Castrum Peregrini. The note was one of the many small personal reminders from the studio of artist Gisèle (1912-2013), which she wrote down to organize her daily life in the house she eventually lived in for seventy years. I found more important souvenirs, not only on top of or under her piles, but in the margins of her (hand)writings and on the back of old photos and other images and objects. Even in the unwritten or not used paper, I found a story of the unmade.

The more I visit the house the more I see it extending beyond its own walls. I see patterns and relations. I wonder where the images, the pictures I took, actually have their origin. To what extend do the house and the ‘important souvnirs’ affect my perception? Please follow my ongoing exploration at: http://important-souvnirs.com/.

Thanks to Sander Tiedema, Rafe Copeland, Lorenzo De Rita, Gisèle d’Ailly van Waterschoot van der Gracht, Michael Defuster, Lars Ebert, Frans Damman and the Mondriaan Fund.”

 

NES#2 – Steven Aalders

Concert / exhibition

NEW EARS SALON

met Steven Aalders – deze editie is uitverkocht

NES logoZondag 21 juni 15 – 18:30uur vindt de 2e editie van New Ears Salon in samenwerking met het Ives Ensemble plaats. Ditmaal staat beeldend kunstenaar Steven Aalders centraal. Onder het motto: do re mi fa so la ti do  Let’s start at the very beginning, a very good place to start -. Steven Aalders heeft een intrigerend muziekprogramma samengesteld en een multiple vervaardigd die aanhaakt bij de uitgangspunten van zijn salon.

Voor meer informatie: 06 27078042, reserveer tijdig uw toegangskaarten via: info@ives-ensemble.nl

Roel Bekaert 3_NES3

foto: Roel Bekaert

 

 

 

 

 

 

 

Roel Bekaert _NES2

foto: Roel Bekaert

exclude/include

Exhibition

exclude/include.

Alternate Histories

24 april t/m 7 Juni 2015

Curator Vincent van Velsen

‘Het ware beeld van het verleden glipt voorbij’ – Walter Benjamin.

exclude / include. Alternate Histories neemt een kritische houding aan ten opzichte van de geschiedenis waarin keuzes over in- en uitsluiting van narratieven, ideeën, individuen en groepen worden belicht en in contact gebracht met alternatieve zienswijzen van gemeenschappelijk gedachtegoed – waarbij geen enkele geschiedenis de ware, juiste en gehele versie behelst.

Met:
Kristina Benjocki, Marcel van den Berg, Anna Dasovic, Jeremiah Day, Amie Dicke, Sean Hannan & Steven van Grinsven, Remy Jungerman,  Claudia Doms & Eva Pel, Miguel Peres dos Santos, Wendelien van Oldenborgh, OMA/AMO, Remco Torenbosch

Performance / lecture

Anna Dasović (artist) & Robert Dulmers (journalist, writer)

Sunday May 31, 14hrs

A collaborative event about traumatic and repressed histories to create a bridge between the exhibitions “Resolution 827” at Stedelijk Museum Bureau Amsterdam and “exclude/include. Alternate Histories” at Castrum Peregrini.

Artist Anna Dasović, participating in both exhibitions, will present her lecture performance Before the Fall there was no Fall at Castrum Peregrini. Journalist and writer Robert Dulmers will give a presentation about his recent publications on the fall of Srebrenica at SMBA.

Your registration via: mail@smba.nl ensures your free entrance – seats are limited.

Location: Castrum Peregrini, Herengracht 401, after the perfromance we walk / bike to SMBA Rozenstraat 59 for the conversation

 

exclude / include. Alternate Histories in de Pers:

Volkskrant / Jeanne Prisser: de tentoonstelling gaat over geschiedschrijving en hoe dat ‘verdraaide verleden nog ons denken bepaalt.

Mister Motley / Hanne Hagenaars: Curator Vincent van Velsen maakte een bijzondere tentoonstelling op een geëigende een plek over de mechanismen van de geschiedenis

MetropolisM: Uitgesloten geschiedenissen worden dankzij de toenemende toegankelijkheid van het internet en de groei van het aantal digital natives weer boven water gehaald. Als detectives speuren individuen vanachter hun laptop naar nieuwe waarheden omtrent ons collectieve culturele geheugen.

Parool / Kees Keijer: iedereen zou zich verbonden kunnen voelen met deze thematiek

Saskia Monshouwer: zorgvuldig gemaakte expositie vol onverwachte historische gebeurtenissen

Jeremiah Day – 14 May 2015

Jeremiah Day No Words for You, Springfield

Thursday 14 May 2015, 17hrs doors open 16hrs

– Note: this event if fully booked –

No Words For JDay_ManifestaYou, Springfield consists of a series of photo-works by Jeremiah Day and deals with the history of the Blasket Island storytellers, a group of storytellers and writers who flourished on a small island in Ireland, who then emigrated en masse to Springfield, an industrial city in the US, where the tradition of telling stories effectively died; a series of lithographs depicted this now decaying city. Day has been researching the movement of the people of the Blasket Islands off the Dingle Peninsula (Ireland), to the town of Springfield near Boston (USA) culminating in a complete evacuation of the Islands in the 1950s. What we know of the poetic tradition of the Blasket Islands comes to us largely through the efforts of the English linguist George Thompson. In the story-telling of the Blaskets, Thompson felt he had found a link with the pre-Socratic tradition of Greek epic poetry, where spiritual, personal, political and practical subjects were integrated. Therefore the boundary between art and life could be said not to exist at all. Over the last fifty years, Springfield has been largely in decline, a classic post-industrial American city. Can we imagine that any of the story-telling traditions of the Blaskets have lived on there? And though the Blaskets are long deserted, what remained within the now developed Ireland around them? What does progress mean, through the lens of the Blasket tradition? – Your registration via E: productie@castrumperegrini.nl  ensures your free entrance.

AMSTERDAM ART selected exclude / include. Alternate Histories for their walk “Layers of Past, Present and Future’ that takes you to four exhibitions that engage deeply with the layers of the past and propose new ways of looking into the future.

Visit GRIMM gallery and project spaces Castrum Peregrini, Rongwrong and Stedelijk Museum Bureau Amsterdam to discover how contemporary art wrestles with the increasing complexity of history and memory using both old and new media. The route is 5 km long and takes about 30 minutes to bike. Follow the route and read more here

Disclosing 18 april 2015

Disclosing – Salon

Saturday 18 April, 16 – 20hrs

Nine students of the Inter-Architecture department of the Gerrit Rietveld Academie invite you to take part in “Disclosing”. Through installations, new narratives and series of actions, they will carefully reveal to the audience the hidden stories embedded in materials and our constructed environment, following a free interpretation of a Salon.

“Disclosing” is a one-day event, starting at 16.00 on Saturday 18 April 2015. From 16.00 to 18.00 : “disclosing” a series of launches of each installation. From 18.00: open doors, till 20.00 hrs

With the works of Naama Aharony, Mai-Loan Gaudez, Niels Hendriks, Paz Ma, Daniel Schwartz, Yaniv Schwartz, Mayra Sérgio, Izabela Stepska, Alice von Alten. Graphic design by Brent Dahl.  A project initiated by Marie Ilse Bourlanges & Elena Khurtova

26.5.’44 Transport aus Beregowo – Wolfgang Ebert

Tentoonstelling

26.5.’44

Transport aus Beregowo

een serie van dertien olieverfschilderijen van

Wolfgang Ebert

14 maart t/m 22 maart 2015

Finissage zondag 22 maart, 15.00 uur

In 2005 startte Wolfgang Ebert een serie olieverfschilderijen. Alle zijn gebaseerd op het ‘Auschwitz Album’ (destijds gevonden door Lilly Jacob) dat een uniek en authentieke reportage bevat van een Joden transport gezien door de ogen van de SS’ers. Het werd een indrukwekkende reeks waarmee Wolfgang Ebert in olieverf bouwde aan de gelaagdheid van herinneringen, zowel zijn persoonlijke- als de herinneringen van zijn vrienden. Waarvan er een aantal in de betreffende kampen zaten.Wolfgang Ebert, 26.5.’44 Transport aus Beregowo (detail), olieverf op doek, 176 x 90 cm, 2007

Ik ben in de nazi-tijd groot geworden. Toen Hitler kwam, was ik zes. En toen hij ging was ik achttien. Ik heb het allemaal bewust meegemaakt. Alles wat er verder in mijn leven gebeurde, heeft daar zijn oorzaak.”- WolfgangEbert

Sinds de jaren ’60 woont Wolfgang Ebert in Amsterdam, waar hij samen met zijn vrouw na omzwervingen elders in Europa, en via een hechte vriendschap met (‘vijftiger’) Bert Schierbeek terecht kwam.

I.s.m. Genootschap Nederland – Duitsland, het programma zondag 22 maart, 15uur met bijdragen van sprekers:

Mevr. Dr. Ursula Langkau-Alex: ‘Kunstenaars in exil’ >>> hieronder de integrale tekst van deze lezing

Dhr. Prof. Dr. Frits Boterman: ‘Cultuur als macht’

14 maart vernissage:

Openingswoord tentoonstelling  

“Welkom namens de Vriendenkring Herengracht 62,

Dames en heren, bij dit bijzondere samenwerkingsproject met Castrum Peregrini, waar de tentoonstelling plaatsvindt en het Genootschap Nederland Duistland, met wie wij een inhoudelijk programma hebben kunnen samen stellen, waarmee we de tentoonstellingsperiode zullen afsluiten. De schilderijenreeks ‘26.5.’44 Transport aus Beregowo’ roept verschillende associaties op: kunstzinnige, kunsthistorische, sociale en historische, maar ze handelen ook over kijken en herinneren.

Voor ik verder op inga op de schilderijen wil ik eerst iets vertellen over hoe de tentoonstelling tot stand is gekomen. Afsluitend zal ik nog iets zeggen over de kunstenaar. In 2005 startte Wolfgang Ebert de reeks olieverfschilderijen op basis van het Auschwitz Album dat een reportage van een joden transport, het transport dat op 26 mei 1944 plaatsvond vanuit Beregowo, weergeeft, gezien door de ogen van de SS’ers. Het Album werd gevonden door Lily Jacobs, gevangene in het kamp. Bij de bevrijding van het kamp zocht ze warmte in het kantoor van de SS’ers. Hier vond ze het album, met daarin een nauwkeurig verslag van het transport waar zij toe behoort had. Alles was nauwkeurig objectief weergegeven. Ze zag foto’s van haar Rabijn, haar familieleden en haar vrienden. Zij heeft het album bewaard en later geschonken aan Yad Vashem.

Voor Wolfgang betekende het Auschwitz Album het volgende:

‘Toen ik dat boekje tegenkwam, voelde ik dat het album een soort invulling was voor datgene waar ik eigenlijk al vele jaren mee bezig was. Het maakte op directe wijze zichtbaar wat je niet kunt begrijpen uit een geschreven verhaal in een boek. Ik ben in de eerste plaats een kijkmens. Ik werd helemaal gegrepen door wat er allemaal op die foto’s te zien was, vooral die stemming.’

‘Want ik weet uit ervaring wat gevangenschap is, van die barakken en van dat samenleven met heel veel mensen, waar je niets mee hebt. Waar je tussen al die mensen een enkeling bent. Niemand hoort bij iemand en je ligt toch allemaal naast elkaar. En alles wat daarmee samenhangt, dat  komt me zo bekend voor, en dat vond ik terug bij het zien van die foto’s uit dat album.’

Zo dook de kunstenaar op achtenzeventigjarige leeftijd opnieuw in de gruwelijkheden van de Tweede Wereldoorlog. Wolfgang Ebert heeft verschillende momenten na de aankomst van het transport in Auschwitz-Birkenau op 26 mei 1944 geschilderd: de aankomst, de selectie, de tocht naar de crematoria, het wachten en de mensen op weg naar de barakken.

Het zijn de korte momenten, eigenlijk seconden, waarbinnen onvoorstelbare, emotioneel intensieve gebeurtenissen plaatsvonden: het moment tussen leven en dood, de verandering van persoonlijke identiteiten in afzonderlijke nummers.

Wolfgang gebruikt in deze serie een essentie van schilderkunst: het  omzetten van uiterst minutieuze momenten in duurzaamheid, waardoor ruimte ontstaat voor nadenken en overpeinzen. De schilderijen zijn getuigenissen van Wolfgans sterke behoefte aan het recht op vrijheid en aan ruimte voor bezinning. Enerzijds was het hem te doen om de slachtoffers postuum een eer te bewijzen en een gezicht te geven, anderzijds is de reeks een onderzoek naar zijn eigen kunnen en experimenteerde hij met structuur, kleur en ruimte.

De afzonderlijke schilderijen bevatten verschillende individuele verhalen, zoals die van het kindermeisje Edith. Zijzelf was niet joods, maar werkte bij een joodse familie. Ze bleef hen tot op het laatst trouw. Of het verhaal van Geza Lajtbs, duidelijk een stadse vrouw. Of Lily Jacobs, de vindster van het Album. Maar ook Friedl is afgebeeld. Zij was niet met dit transport gedeporteerd. Zij was de vrouw van Dick Couveé, oud directeur van het Frans Hals Museum en goede vriend van het echtpaar Wolfgang Ebert en Mercedes Engemann. Friedl had Auschwitz overleefd, maar droeg de gruwelijkheden natuurlijk met zich mee. Ebert brengt haar met dit schilderij in herinnering, als vrouw, vriendin maar ook als persoonlijke herinnering aan de concentratiekampen van de Nationaal Socialisten.  Zo vermengt Wolfgang persoonlijke herinneringen met de algemene historische gebeurtenissen en gebruikt hij de schilderkunst om op die miraculeuze verbinding tussen beide  voor zichzelf een antwoord te geven.

‘Ik ben in de nazi-tijd groot geworden. Toen ik volwassen was, was dat een groot probleem voor mij. Toen Hitler kwam, was ik zes. En toen hij ging, was ik achttien. Ik heb het allemaal bewust meegemaakt. Alles wat er verder in mijn leven gebeurde, heeft daar zijn oorzaak.’

Ebert creëerde schilderijen met een opmerkelijke gelaagdheid: een realistische zwart-wit weergave liet hij overgaan in een abstract spel met licht en kleur. Deze gelaagdheid kan worden gezien als een verbeelding van herinnering. Naar mate men ouder wordt lijkt de geschiedenis te vervagen in het licht van alledag, maar onmenselijkheden en onrechtvaardigheden blijven in het geheugen gekerfd.

Ebert werkte vier jaar aan de serie en borg het vervolgens goed op in zijn atelier. De Vriendenkring Herengracht vindt het nu hoog tijd, dat deze monumentale serie aan het publiek wordt getoond. Wolfgang Ebert is zelf niet in Auschwitz geweest. Zijn persoonlijke geschiedenis is een andere. Hij werd in 1927 geboren in Oelsnitz in het zuiden van Saksen. 150 kilometer ten zuid oosten van Dresden . Na de oorlog in Oost Duitsland onder Russisch beheer. Van jongs af aan hield hij van tekenen en hij wilde kunstenaar worden. Als jongen van ca. 16 jaar oud, moest hij vechten aan het Ardennen offensief. Maar hij zocht telkens  een plek in de achterste linies, zodat hij niet zou hoeven te schieten. Daarna kwam in Amerikaans krijgsgevangenschap en vervolgens thuis in Oelsnitz moest hij werken in de Russische uraniummijnen. Daar is hij uit weggevlucht.

Hij kon niet meer bij zijn ouders blijven en vluchtte de grens over naar West Duitsland. Hier belandde bij een boer in de buurt van het dorp Ellingen, waar mocht hij blijven, overdag werkte hij voor de boer, maar ’s avonds kon hij naar de kunstacademie. In het oude, leegstaande kasteel van Ellingen was in die tijd de kunstacademie van Neurenberg ondergebracht. Op de academie ontmoette hij Mercedes Engemann. De kennismaking groeide snel uit tot een hechte vriendschap en liefde. Ze besloten samen door het leven te gaan. Hun ontmoeting met Bert Schierbeek in Zuid Spanje was de eerste kennismaking met Nederland.

In het midden van de jaren vijftig studeerde Wolfgang en Mercedes even aan de Rijksakademie in Amsterdam. Begin jaren zestig keerden ze definitief naar Nederland terug. Ze verbleven eerst in Amstelveen, maar in 1964 trokken ze naar Amsterdam en vestigden zich in het pand Herengracht 62. Dat was toen in een vervallen staat. Ze knapten het gehele pand met eigen handen op.

Mercedes overleed begin jaren tachtig. Wolfgang was toen docent aan de kunstacademie in Ben Bosch. Na het overlijden van zijn vrouw en toen hij als docent met pensioen was, kon hij zich geheel wijden aan zijn schilderkunst. Wolfgang werkte op groot formaat en werkte altijd naar een thema, een gebeurtenis uit zijn persoonlijk leven of een filosofisch of historisch aanknopingspunt.

‘Transport aus Beregowo’ is de laatste reeks die hij realiseerde. De laatste jaren werkt hij dagelijks aan een serie aquarellen. Op deze plaats wil ik graag nog al de mensen bedanken zonder wie de tentoonstelling en het afsluitende programma niet tot stand had kunnen komen:

Dorothee von Flemming, voorzitster van het Genootschap Nederland Duitsland, Frans Damman en Lars Ebert van Castrum Peregrini en de stagiaires Amadeo en Maria Jasnova. De man van het transport en techniek: Reinder van der Woude.

En natuurlijk Wolfgang Ebert zonder wiens inspanning de schilderijen er niet geweest waren. Dat hij bij deze opening aanwezig kan zijn is bijzonder. Want begin februari heeft hij een zware darmoperatie ondergaan, dus zijn chirurg zijn we ook dankbaar voor zijn goede vakwerk. Genoeg gepraat. Tijd om te kijken en het glas te heffen op deze bijzondere expositie.

Geniet van de middag, Liesbeth Netel, kunsthistorica en curator

 

zondag 22 maart finissage:

Ursula Langkau-Alex  Kunstenaars in Exil

Lezing bij de finissage van de tentoonstelling 26.5.’44 Transport aus Beregowo, een serie van dertien olieverf schilderijen van WOLFGANG EBERT, Castrum Peregrini, Amsterdam 22 maart 2015

Beste Meneer Ebert

Beste Leden en Vrienden van Vriendenkring Herengracht 62, van Genootschap Nederland-Duitsland, van Castrum Peregrini

Beste Dames en Heren

Allereerst dank ik mevrouw von Flemming voor de uitnodiging namens het Genootschap Nederland – Duitsland om bij de finissage van de tentoonstelling van de schilderijen van Wolfgang Ebert, 26.5.’44 Transport aus Beregowo, een lezing te houden over kunstenaars in exil hier in Castrum Peregrini – de juiste plaats voor een evenement als deze.

Exil – laat ik maar met dit woord beginnen. Want: Het behoort eigentlijk niet tot de Nederlandse woordenschat. De van Dale kenmerkt het als een Frans woord en zet daarvoor de Nederlandse termen “verbanning”, “ballingschap”, “ballingsoord”, en voor een persoon: “balling”. Zoals bekend wordt de Nederlandse Regering in London von 1940 tot 1945 als “Regering in ballingschap” betiteld. Toch heeft juist de historicus / chronist van Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog, Louis de Jong, de  literatuur van Duitstalige ballingen in Nederland na 1933 steeds “exilliteratuur” genoemd, terwijl de eind jaren 1950 van Duitsland naar Nederland geimmigreerde germanist en literatuurwetenschapper, dan hoogleraar aan de Rijksuniversiteit Leiden, Hans Würzner, consequent van “Emigrantenliteratur” / “emigrantenliteratuur” sprak. Hij stoelde daarmee op de termen die wél ook in het Nederlands gebruikelijk zijn: “emigratie”, “emigrant”. De Nederlander Louis de Jong, geweest balling in Engeland, daarentegen ontleende ´zijn´ woord “exil” aan het Engelse begrip “exile” – eerder, denk ik, dan aan het Duitse “Exil” dat toen al, in het prille begin van “Exilforschung”, voor de typologisering van de vluchtelingen uit de machtssfeer van het nationaalsocialisme in zwang was en van dezen zelf al was gebruikt. Maar genoeg – ik wilde hiermee alleen maar aantonen hoe verschillend het zelfde feitelijke gegeven in woorden wordt gevat.

—-

“Wanneer gaat een mens in exil? Moet men pas in levensgevaar verkeren om als exilé te worden erkend? Er zijn vele verschillende redenen om zijn land te ontvluchten en deze laten zich niet alleen aan politieke vervolging vastmaken. Zo verscheiden de beweegredenen, zo gevarieerd zijn ook de uitwerkingen van het exil op kunstenaars en kunsten.”

Dit zijn, in het Nederlands vertaald, de openingszinnen bij de virtuele tentoonstelling Künste im Exil. De websites – er is ook de Engelstalige versie Arts in Exile – zetelen bij de Deutsche Nationalbibliothek (DNB) te Frankfurt am Main en staan onder coördinatie en redactie van diens afdeling Deutsches Exilarchiv 1933-1945 (DEA). De Online lancering – rechte handen op elkaar en druk op een grote rode knop – vond in September 2013 in het Bundeskanzleramt in Berlijn plaats door de toenmalige Staatsminister voor cultuur en media, de heer Bernd Neumann, de directeur generaal van de DNB, mevrouw Dr. Elisabeth Neumann, het hoofd van het DEA, mevrouw Dr. Sylvia Asmus, en drie actuele exilés in de Bondspubliek: de beeldende kunstenares uit Iran, Parastou Forouhar, de schrijver / poëet / musicus uit China, Liao Yiwu, en de Duitstalige romanschrifster en dichteres uit Bulgarije, Herta Müller. Deze had in 2011, twee jaar na de ontvangst van de Nobelprijs voor literatuur, in een “Open brief” aan kanselier Angela Merkel een museum voor de vervolgde kunsten en kunstenaars aangemaand om de herinneringscultuur aan exil in het verleden en heden te bevorderen en op die manier ook actief hedendaags  “antisemitisme en vreemdelingenhaat” te bestrijden, zoals het dan in een persverklaring van de Deutsche Nationalbibliothek heette. Deze dubbele doelstelling alsmede de reeds aangesproken medewerking van drie hedendaagse gevluchte kunstenaars bij de Online-stelling geeft aan dat zowel de ‘traditionele’ encadrering van Duits / Duitstalig exil 1933-1945 overschreden, beter: losgelaten is en niet alleen de huidige Bundesrepubliek Deutschland, maar ook die van 1949 tot 1999 én de voormalige Deutsche Demokratische Republik met hun respectievelijke voorlopers na het einde van de Tweede Wereldoorlog als landen worden beschouwd waar mensen toevlucht zoeken en zochten.

De Bondsregering stelde met de instemming van alle fracties in de Bondsdag een startkapitaal van 745.000 EURO voor de eerste drie jaar ter beschikking – dat was eind 2014 op. Speciaal voor scholieren en studenten en de respectievelijke onderwijsinstellingen is er een educatief Junges Museum ingericht. Daarvoor tekent het Deutsches Literaturarchiv Marbach, een onderdeel van de Deutsche Schiller-Gesellschaft verantwoordelijk. Een coöperatief netwerk van inmiddels rond dertig instellingen – archieven, bibliotheken, genootschappen, musea, onderzoeksinstellingen en stichtingen… – zorgt zowel voor de kennismaking met “Künste im Exil” en diens activiteiten via hun websites alsmede voor bijdragen aan de tentoonstelling, al is het niet de bedoeling een heus lexicon te bieden. Een qua herkomst of achtergrond, specialisatie en beroep relatief breed samengestelde Advies Commissie van 4 mannen en 4 vrouwen (waarvan ik zelf er één ben) heeft onder andere de taak voor een zeker evenwicht bij de keuze van kunstgenres, kunstenaars en exillanden te zorgen, voorts bij alle gewenste feuilleton stijl van de presentatie over wetenschappelijke onderbouwing inclusieve de vastlegging van termen te waken – of juist al te stringente definities los te laten: Zo hebben wij na een langere discussie besloten het veel omvattendere veld “migratie” bij “exil” te betrekken zonder echter specifica te verwaarlozen. Op die manier wordt er rekening gehouden met de gelaagdheid van de situaties, met de verandering daarvan en met het individuele beleven – criteria die een eenduidige afbakening van “vluchteling”, “emigrant”, “exilé”, “migrant” twijfelachtig maken. Immers, een vluchteling kan na verloop van tijd angekomen zijn in de nieuwe maatschappij en zich niet meer als “exilé” voelen, of juist wél omdat zijn emoties of zijn situatie het niet toelaten dat hij, ook als dat weer mogelijk is, voor goed naar zijn homeland terugkeert. Een Tsjechische vluchtelinge uit het jaar 1938 in Amsterdam omschreef 50 jaar later – inmiddels lang getrouwd met een Nederlander en werkzaam als journaliste, kunstcritica, tolk – haar identiteit zo: “Ik ging terug om mijn Heimatland te zien, ik houd ervan zoals altijd, maar mijn Zuhause is hier.”

Op het eerste gezicht wekt het misschien verbazing dat er voor het onder de aandacht brengen van het fenomeen exil de kunsten oftewel kunstenaars zijn gekozen. Per slot van rekening zijn er tussen 1933 en 1940 ‘slechts’ zo’n 10.000 kunstenaars uit Groot-Duitsland gevlucht (Oostenrijk na de Anschluss in maart 1938 en de Duitstalige gebieden in Tsjecho-Slovakije in 1938/39 inclusieve), terwijl de Duitstalige emigratie in het geheel ongeveer een halve miljoen mensen omvatte. Bij nader inzien en vooral bij het bekijken van en het doorklikken op de website Künste im Exil wordt deze keuze begrijpelijker. Individuele levensbeschrijvingen, activiteiten en werken verwijzen naar de vele genres van kunst én de vraag naar de mogelijkheid of onmogelijkheid deze in het vreemde land verder uit te oefenen. Dit wederom leidt tot het complex van fundamentele bestaansvoorwaarden voor die zich alle exilé’s en beroepen gesteld zagen: de politieke en maatschappelijke omstandigheden en verhoudingen in een asielland; organisaties en netwerken. Daar boven op komen aspecten zoals transfer van kunst, van techniek, van know how; van wisselwerkingen, invloed en nawerking. Zo gezien laten zich genoemde factoren naar de ‘kleine man’ en de ‘kleine vrouw’ transponeren. Zij een ook de niet opgenomen kunstenaars krijgen exemplarisch een ‘gezicht’ – of anders gezegd:  een cumulatieve biografie, bij voorbeeld door getoonde “objecten” zoals een paspoort of een visum of en affidavit; door een telefoonlijst welke contacten openbaart; door een foto van de Heimat of van een gelukkige vakantie vóór de vlucht of in het nieuwe land; door een brief vol van bitterheid of juist vol hoop en optimisme of met een smeekbede om hulp, om geld, of door een sollicitatiebrief.

Maar: kunstenaars, (bijna) gelijk welk genre zij beoefenen, hebben het vermogen het alledaagse en het bijzondere, emoties en rationaliteit, realiteit en droom te verbeelden, te sublimeren, te versterken, zicht- of hoorbaar te maken. Ook daarom is voor Künste im Exil gekozen.

De kunsten zijn een onderdeel van het veel bredere veld cultuur, alhoewel cultuur niet zelden tot de kunsten wordt gereduceerd. Maar denk aan cultuur van het debat, aan politieke cultuur of aan regionale en nationale cultuur (doorgaans gebruikt in de zin van traditie). Cultuur als macht. Cultuurgeschiedenis van Duitsland 1800 – heden, is de titel van het volumineuze boek en de voorafgaande ontzagwekkende studie van collega Frits Boterman die er straks zelf het een en ander zal toelichten.

Mijn vraag is: Kunnen wij in de context van kunst en exil / kunstenaar en exil van macht spreken? 10.000 kunstenaars – van poëet tot romancier, van componist tot violist, van architect, beeldhouwer en schilder tot typograaf en fotograaf, en alle beroepen uit de toneel- en filmwereld: welke macht hadden zij – ten eerste: in hun land vóór dat zij het moesten verlaten? Zij waren immers een minderheid binnen het kunst- en cultuurleven, anders hadden zij niet moeten vluchten, nog afgezien daarvan dat een niet gering, ja een groot percentage van Joodse huize en / of politiek geëxponeerd was. (Daarbij horen natuurlijk ook personen, die zich op de een of andere manier ‘koest’ hebben kunnen houden, die in de zogenaamde innere Emigration zijn gegaan.) Voor de ‘onbekrompen’ buitenwereld van toen en nu echter is hun artistieke durf, hun vernieuwingsdrang – in het kort: hun moderniteit – gezichtsbepalend voor de kunsten in de periode 1918/19 – 1933, de periode van de Republiek van Weimar; in Oostenrijk en Tsjecho-Slowakije duurde die periode ietsje langer, desalniettemin waren de vrije kunstuitingen bedreigd.

Ten tweede: Kan er aan macht van kunstenaars in het exil ook maar in de verte gedacht worden laat staan dat er daarvan sprake kan zijn?  Welke status hadden zij, tenminste in de eerste jaren? Zij waren vreemdelingen in dubbele, ja in meervoudige zin: Zij waren vreemdelingen in eigen land geweest of ten slotte geworden, vertegenwoordigers van een misachte, verhoonde, verschopte, verboden, vervolgde cultuur van vrijheid van kunst en meningsuiting, dus van democratische grondbeginselen. Met het land dat hen had uitgestoten onderhielden de demokratische asiellanden diplomatieke en meestal ook hechte – in het geval van Nederland uiterst innige – economische betrekkingen, nog afgezien van meer of min sympathie dat zij voor het rigoreus ‘orde scheppende’ nationaalsocialistische regime koesterden. De vluchtelingen waren ‘ordeverstoorders’, op beide zijden van de grens. Al in deze hoedanigheid waren zij vreemdelingen in de maatschappij van het exilland. Daarboven op kwam de cultuur (in brede zin) die zij meebrachten. En nog eens daarboven op – om de opeengestapelde lagen van vreemdzijn te verbeelden: Voor de immigranten, de vluchtelingen was de nieuwe culturele (wederom in brede zin) omgeving vreemd. Maar weinigen konden zoals de schrijver Heinrich Mann van hun exilland – in dit geval Frankrijk – zeggen dat ze er thuis waren, want: “Mijn opvoeding was zowel Duits als Frans.”

Wat nu neemt een kunstenaar mee in het exil?

Een violist zal zeker zijn viool meenemen zoals een fleutist zijn instrument. Maar een pianist? Welnu: een piano vindt zich over al om zijn meesterschap te tonen. Een schilder of beeldhouwer kan ook over al materiaal voor de uitoefening van zijn kunstenaarschap vinden – voor zover hij het nodige geld daarvoor kan opbrengen of hoe dan ook bemachtigen. Maar hij moet ook visueel zijn kunstenaarschap kunnen aantonen en dat kan over het algemeen niet zo een twee drie als bij een musicus. Dus zal hij trachten tenminste een deel van zijn werken te redden of te laten redden, niet in de laaste plaats om eventueel door een tentoonstelling de aandacht te vestigen en door verkoop van het een of andere stuk in zijn levensonderhoud te voorzien. Een al ‘gevestigde’ schrijver zal zijn nieuwste nog niet voltooide of nog niet uitgegeven manuscript en zijn aantekeningen voor een volgend of dat voor hem belangrijkste plan meenemen – of wederom laten nasturen – zoals Heinrich Mann, om hem nogmaals aan te halen, deed met zijn sinds 1925 verzameld materiaal over de Franse koning Henri Quatre. Het tenslotte tweedelige oeuvre verscheen in 1935 – Die Jugend des Königs Henri Quatre – respectievelijk in 1938 – Die Vollendung des Königs Henri Quatre, hier in Amsterdam bij Querido Verlag, de Duitse exil-tak van uitgeverij Querido onder leiding van Fritz H. Landshoff. Overigens: Uitgevers / uitgeverijen zijn vanzelfsprekend niet opgenomen in de tentoonstelling Künste im Exil, maar zij worden in bibliografische verwijzingen wel genoemd – of er is erop toe te zien dat zij niet worden onder gesneeuwd door alleen de vestigingsplaatsen van exil-uitgeverijen te noemen. Want: Wat en waar zouden de schrijvers zijn geweest of blijven zonder een uitgever?

Wat alle vluchtelingen, alle migranten – kunstenaar of vakbondsbestuurder of huisvrouw – meenemen is hun (moeder)taal. Hoe groot de betekenis van de eigen taal juist voor een schrijver is – en daarmee schakel ik nu na Heinrich Mann reeds genoemd te hebben – definitief van allgemeenheden over op concrete voorbeelden. Ik zal die voornamelijk uit het Duitstalige exil na 1933 in Nederland lichten – – Dus: de betekenis van de eigen taal voor een schrijver heb ik laatst nog op een avond over Hans Keilson ervaren, de arts, schrijver, dichter, psychiater, essayist die in 1936 naar Nederland was geemigreerd en hier in 2011 op 101jarige leefijd is overleden. Hij heeft er zelf de treffendste en wat mij betreft ook de mooiste uitdrukking voor gevonden, in een gedicht waarin Nederlandse woorden zijn verwoven: Sprachwurzellos. In het Nederlands heeft hij anthologien samengesteld en ook essays geschreven, maar zijn diepgaande vertellingen, romans en vooral zijn gedichten en sonetten kon hij alleen in zijn taal, het Duits vervatten.

Een tegenvoorbeeld is Elisabeth Augustinalhoewel… De in 2001 op 98jarige leeftijd in Amsterdam overleden schrijfster, dichteres, vertaalster was dank zei haar echtgenoot, een in Nederland opgegroeide Duits-Zwitserse germanist, al voor haar emigratie naar Amsterdam in het voorjaar van 1933 begonnen Nederlands te leren en Nederlandstalige romans in het Duits te vertalen. Eenmaal in Nederland en midden in Nederlandse, dus niet in Duitse exil-kringen (hoewel zij als sociaaldemocrate en pas in de twee plaats om haar half-joodse achtergrond was gevlucht), begon zij onmiddelijk alleen maar in het Nederlands te schrijven en te publiceren. In haar herinneringen, Het Patroon, bekende zij echter: “De eerste zeven jaren in Nederland waren voor mij jaren van min of meer moeilijke aanpassing, van dwaze overschatting van mijn nog zo ontoereikend Nederlands…” [p. 97]. Zij bleef in het – vervolkomde – Nederlands schrijven, maar op hogere leeftijd kwam het Duits naar voren, zo schreef zij onder andere vele hoorspelen voor Duitse radiozenders, ook vertaalde zij zelf haar werk naar het Duits.

Beide schrijvers zijn hier in Nederland en vooral in de Bondsrepubliek Duitsland hoog geërd en gedecoreerd, Keilson bovendien met het Bundesverdienstkreuz 1. Klasse, ook werd hij corresponderend lid van de Deutsche Akademie für Sprache und Dichtkunst. De voormalig uitgestotenen, Nederlandse staatsburger gewordenen werden dus tenminste als schrijvers en dichters weer in die Heimat opgenomen.

Literatur ist das Gedächtnis der Menschheit”, heeft Hans Keilson, de musikus, de vioolspeler die hij eveneens was, ook gezegd. Hoe zit het nu met de ‘taal’ van muziek? Vaak hoort men dat muziek geen grenzen kent, alles overvliegt als een vogel, overal kan worden verstaan. In ieder geval, lijkt mij, kunnen musici, kan muziek – meer dan literatuur schrijvers uit andere culturen – musici beïnvloeden, componisten tot een andere stijl brengen, wisselwerkingen teweeg brengen. Ik betwijfel dan ook of de stelling van de musicoloog Marius Flothuis, weliswaar in 1981 geformuleerd, bij nader onderzoek voor Nederland gestaafd kan worden: “Positief is dat verscheidene Duitse musici en muziekpedagogen hier een toevlucht hebben gevonden en een bestaan hebben kunnen opbouwen; negatief dat met name de creatieve geesten schlechts voorbijgaand in Nederland een verblijf hebben gevonden en dat van een blijvende uitwerking van hen op het Nederlandse muziekleven geen sprake kan zijn.”

Men kan zich natuurlijk afvragen of de van het Residentie-Orkest en vooral van het Concertgebouworkest bekende violist Theo Olof die in 1933 als negenjarig jongetje met zijn ouders naar Nederland vluchtte en van Oskar Back les kreeg aan het Amsterdams Muzieklyceum niet eerder als Nederlands getogen musicus moet worden beschouwd. Toch moet hij al van zijn kunstenaars-ouders en van zijn studies in zijn geboorteplaats Keulen zoveel meegekregen hebben dat hij als elfjarige zijn erste concert met het Concertgebouworkest onder de eveneens uit Duitsland gevluchte dirigent Bruno Walter kon uitvoeren. De voormalige exilé Theo Olof heeft voorts als hoofdleraar aan het Koninklijk Conservatorium in Den Haag, als medeoprichter von het Nationaal Muziekinstrumenten Fonds en als initiatiefnemer van Hilversum 4 / Radio 4  een grootse bijdrage aan de cultuur van het muziekleven in Nederland geleverd.

Een ander voorbeeld van invloed en uitstraling is de Oostenrijkse pianist en opera-dirigent Felix Hupka. Geboren in 1896 in Wenen, emigreerde hij in 1939 naar Amsterdam, waar hij tijdens de bezetting moest onderduiken. Na de oorlog gaf hij les aan het Amsterdams Sweelinck-Konservatorium. Hupka’s meest beroemde leerling is Bernard Haitink.

Een voorbeeld van wisselwerkingen, van stijlwissel is de in 1897 geboren Oostenrijkse dirigent en componist Erich Wolfgang Korngold. Al vroeg werden werken van hem door onder anderen Willem Mengelberg ten gehore gebracht. Korngold emigreerde weliswaar niet naar Nederland maar naar de Verenigde Staten waar hij onder andere operetten van Jacques Offenbach en Oscar Strauss aan de New York Opera dirigeerde, maar op de andere kant als componist beinvloed werd door de jazz-cultuur en veel filmmuzieken schreef. Bijna elk seisoen brengt het Nederlands Philharmonisch Orkest en werk van hem ten uitvoer.

Voordat ik over ga naar Beeldende Kunsten wil ik even stilstaan bij kunstenaars in exil heden ten dage. Hun aantallen zijn niet te schatten, de ene vluchtgolf uit het ene land tuimelt over de volgende uit hetzelfde of uit een ander land heen. Hebben de kunstenaars enige kans zich te manifesteren aangezien zij onder de tienduizenden vluchtelingen die geholpen willen en moeten worden toch ook weer een minderheid zijn? Wat wordt er hier in Nederland voor hen gedaan? Ik heb eens gegoogled en ben bij de Stichting voor Vluchteling-Studenten UAF (Universitair Asiel Fonds) terecht gekomen, de oudste, al in 1948 opgerichte organisatie voor hoger opgeleide vluchtelingen. Daar ben ik een hele reeks namen en kunstgenres en dankbetuigingen tegen gekomen, voor ondersteuning, voor studie, voor tentoonstellingen – maar niet of nauwelijks namen van schrijvers of steun voor schrijverschap. De taal is toch nog iets heel bijzonders. Desalniettemin lijkt me deze Stichting met haar activiteiten een nuttige instelling al is ze maar een klein lichtje in een grote donkere ruimte.

Een organisatie als de Stichting AIDA Nederland – de Nederlandse tak van Association Internationale de Défense des Artistes Victimes de la Répression dans le Monde – bestaat niet meer, zij moest per 1 januari 2013 haar activiteien stop zetten en de contracten met de twee drijvende krachten op zeggen. Het ministerie van OCW besloot al in 2010 geen subsidie meer te verlenen ondanks een positief advies van de Raad voor Cultuur. Nog twee jaar lang had de Stichting zich met steun van andere organisaties en particulieren boven water kunnen houden, toch de aanhoudende crisis sloeg ook hier uiteindelijk toe. In de 33 jaren sinds de oprichting in 1980 heeft AIDA Nederland 553 tentoonstellingen georganiseerd, ruim 1500 kunstenaars en 297 projecten ondersteund en sinds 1981 in een regelmatig uitgegeven Nieuwsbrief alle evenementen en kunstenaars aangekondigd, voorgesteld en verantwoording afgelegd.

In het bureau van AIDA-Nederland in de BALI in Amsterdam was in het midden van de 1990er jaren Stichting EX-YU-PEN te gast. Wat is uit deze  in 1993 officieel opgerichte internationale organisatie van schrijvers uit het voormalige Yugoslavië en sommige uit de Sovietunie geworden? Aan politieke tegenstellingen uiteindelijk ten onder gegaan? Zoals in de 1930er jaren Duitse exil-organisaties van schrijvers en andere kunstenaars uit elkaar braken? Google je nu EX-YU-PEN dan krijg je een vestiting in Utrecht die onder anderen pennen slijt, maar vooral een marketingbedrijf is voor uiteenlopende zaken en organisaties.

Toch terug naar kunstenaars in exil die voor het nationaalsocialisme vluchtten. In het volgende in het bijzonder beeldende kunstenaars. Ik licht er drie uit:  Heinrich Campendonk, Max Beckmann, en Herbert Fiedler. Alle drie hadden behalve het exil nog een houding en een lot gemeen: Zij waren in feite a-politiek, maar bezeten van vrijheid en van het streven hun wereldbeeld uit te dragen, dus waren zij vanzelfsprekend anti-nationaalsocialisten en hun werk was dus politiek in de brede zin van het woord; én hun schilderijen werden in Nederland niet of nauwelijks begrepen laat staan door het publiek gewaardeerd. Fiedler werd in 1944 door een Nederlandse kunstcriticus zelfs als “cultuurbolsjewist” afgeschilderd.

Campendonk, geboren in 1889, kwam via België naar Nederland nadat hij reeds in 1933 als “entarteter Künstler” uit zijn functie van hoogleraar aan de Kunstakademie in Düsseldorf was ontslagen. In februari 1935 werd hij tegen veel weerstand vanuit de Nederlandse politiek en kunstwereld in tot hoogleraar voor monumentale kunst aan de Rijksakademie van Beeldende Kunsten in Amsterdam benoemd; oorspronkelijk zou hij Richard Nicolaüs Roland Holst ook als directeur opvolgen. Het deed er niet toe dat Campendonk een Nederlandse grootmoeder had, Nederlands sprak en boven al van het nationaalsocialistische regime was verstoten; hij was een Duitser. Zijn studenten in Amsterdam leerde Campendonk vooral materiaalkennis en techniek als fundament voor ieders eigen weg in de beeldende kunsten. Hoe deze ook na de bezetting weer uitgedragen visie doorwerkte op  generaties van Nederlandse beeldende kunstenaars – daar  weet kunsthistorica Lies Netel, de initiatiefneemster van deze Wolfgang Ebert-tentoonstelling alles van. In zijn in het geheim geschapen schilderijen, voornamelijk aquarellen keerde Campendonk terug naar zijn periode van de Blauwe Reiter die destijds hier in Nederland werd verfoeid, terwijl hij in het openbaar met zijn glas-in-lood ramen niet zonder succes voortborduurde op wat hij van zijn Nederlandse leermeester aan de Handwerker- und Kunstgewerbeschule in Krefeld en latere voorloper-hoogleraar aan de Kunstakademie in Düsseldorf, Johan Thorn Prikker, alsmede van de stroming  der “gemeenschapskunst” geleerd en zelf verder ontwikkeld had – een duidelijk voorbeeld van wisselwerking ook hier. Op de wereldtentoonstelling 1937 in Parijs werd Campendonk voor zijn passie-venster in het Nederlandse paviljoen met de Grand Prix onderscheiden; in Nazi-Duitsland werden vrijwel gelijktijdig tientallen van zijn werken als entartet geconfisqueerd. Hij stierf in mei 1957 in Amsterdam, vlak nadat hij tot Nederlander was genaturaliseerd. Een jaar eerder had de hoofdstad hem met de Quellinus Prijs geërd, en de Nederlandse Staat had hem tot Ridder in de Orde van “De Nederlandse Leeuw” benoemd.

Max Beckmann, de niet alleen in Nederland bekendste beeldende kunstenaar van de drie, verliet op drieënvijftigjarige leeftijd Duitsland, en wel de dag na de opening van de tentoonstelling Entartete Kunst 1937 in München waar hij rijkelijk vertegenwoordigd was, en nadat hij Hitler’s radiorede bij de tegelijk eveneens in München geopende Große Deutsche Kunstausstellung beluisterd had. Hoewel al in 1933 uit zijn hoogleraarschap aan het Städelsche Kunstinstitut und Städtische Galerie in Frankfurt am Main ontslagen twijfelde hij lang óf en zo ja waar naar toe hij zou emigreren. Het exil in Amsterdam werd qua output zijn vruchtbaarste periode, al bleef hij  praktisch in zijn oude stijl verder schilderen, toch de inhoud werd steeds grimmiger en ‘religieuzer’ – maar hij verkocht zo goed als niets, in Nederland dan. Wél hij had in de jaren tot 1937 in Duitsland tenminste één belangrijk netwerk kunnen vlechten: Hij verkocht vanuit Nederland werken aan Hildebrand Gurlitt die hoewel geen partijlid en van Joodse afkomst tot officiële kunsthandelaar van het nationaalsocialistische regime avanceerde en ook voor zich zelf Moderne Kunst verzamelde. In Gurlitt’s denazificatieproces na de oorlog was Beckmann een getuige à decharge. Al in 1947 zag de schilder zijn wens in vervulling gaan naar de Verenigde Staten te emigreren waar hij tot aan zijn overlijden eind 1950 in New York aan verschillende kunstinstellingen les gaf.

Herbert Fiedler tenslotte, jaargang 1891, ontvluchtte de bedrukkende atmosfeer in Berlijn eind 1934 samen met zijn Zwitserse kunstenaars-vriendin, latere echtgenote Amrey Balsiger naar Amsterdam. Door bemiddeling van een oude friend uit de dagen dat hij bij het filmbedrijf UFA had gewerkt, Hans Kahle, die al eerder naar Amsterdam was vertrokken – hij werkte later aktief in het verzet – kon het paar een huis en atelier in Laren huren. Fiedler begint een nieuwe fase als kunstenaar: eerst in klein formaat dan steeds groter wordend tekent, aquarelleert en schildert hij de Noordhollande polders, weilanden, sloten, dorpen en boeren. Hij wilde, zo schrijft hij in juli 1936 aan zijn naar New York vertrokken studiefriend George Grosz, “Die Synthese finden […], die Malerei wieder dahin bringen, wo sie einmal war, auf die Höhe und Harmonie, dass alles da ist und nichts außer Acht gelassen wird, weder das Gras noch die Luft.“ Hij ziet zijn exil in Nederland als kans zich verder te ontwikkelen. Maar hij verkoopt niets, ook de aansluting bij de kunstenaarskring De Onafhangkelijken verandert daarin niets. Toch Fiedler en Balsinger leven de eerste jaren niet schlecht, Amrey is van huize uit rijk, maar met de huwelijkssluiting in 1937 wordt zij “Duitse” en daarmee staatenloos en het banktegoed wordt geblokkeerd. Tegen het einde van de jaren dertig worden Fiedlers schilderijen duister, politieke allegorieën – Die verkehrte Welt bijvoorbeeld laat beesten zien die mensen mishandelen. Het bombardement op Rotterdam op 14 mei 1940 waarvan Fiedler op de radio hoort en in de kranten leest schildert hij in monumentale stijl en duister blauwe kleuren, voltooid in september 1940; na de oorlog houdt hij deze traumatische gebeurtenis in verscheidene ‘posities’ in gouache techniek vast. (Overigens heeft een leerling van Campendonk, de Rotterdammer Henk Chabot, eveneens het bombardement op Rotterdam in een schilderij ‘vereeuwigd’.)  In November 1940 wordt Fiedler door de burgemeester van Laren uit zijn gezet, hij vetrekt met zijn vrouw en kleine dochter naar Amsterdam, in het huis aan de M. J. Kosterstraat nr. 11. Ze zijn niet Joods en duiken niet onder, maar in het tuinhuis biedt Fiedler herhaaldelijk onderdak aan de jonge Joodse Nicolaas Wijnberg terwijl hij zelf, wederom door bemiddeling van Kahle, bij de Wehrmachtsauskunftsstelle op het Centraal Station van Amsterdam werkt om vrouw en kind te kunnen voeden. In juli 1944 wordt hij alsnog als soldaat gerecruteerd, hij dient als brugwachter in Rotterdam en in het oosten van het land wanwaar hij begin mei 1945 vlucht. Eenmal thuis wordt hij door het Nederlandse Gezag geïnterneerd, omdat hij lid van de Cultuurkamer zou zijn geweest – de Onafhangkelijken waren daarin ingelijfd worden maar een “Duitser” mocht niet lid worden. Na ettelijke weken komt hij op verzoek van het verzet en van Wijnberg en andere kunstenaars vrij, wél mag hij tot begin 1946 niet tentoonstellen. Tot in de jaren 1950 verkoopt de rusteloos werkende Fiedler slecht, hij leeft in armoede. Tijdens de voorbereiding van een overzichtstentoonstelling in het Stedelijk Museum in Amsterdam 1962 begaf zijn hart het, het werd een tentoonstelling “in memoriam”. Fiedler was in 1957 genaturaliseerd, maar bleef in hart en nieren en in de kunst Duits; naar zijn geboorteland vermocht hij echter net als Campendonk niet terug te keren, dat had een bezoek hem in de vroege jaren vijftig geleerd. Ik zie hem als „Deutschen Künstler im nicht endenden Exil in den Niederlanden“.

Ten slotte: Alle andere kunstenaars in het exil in Nederland die ik hier met name heb genoemd hebben de bezetting en vervolging in de onderuik overleeft. Vele anderen zijn verraden, bij een razzia opgepakt, gedeporteerd en vermoord – zo ook de ouders van Hans Keilson en de moeder van Elisabeth Augustin.

Met zijn schilderijenreeks 26.5.’44 Transport aus Beregowo die hij op basis van fotografieën van de SS, gemaakt bij aankomst van het transport in Auschwitz, heeft geschilderd geeft de migrant Wolfgang Ebert symbolisch ook aan hen, aan alle slachtoffers van de Holocaust een ‘gezicht’ terug, een ‘tweede leven’ zal ik maar zeggen – en hij brengt ons, de kijkers, “de afstand tot dichtbij”.

Hartelijk dank!

Een paar aantekeningen en opmerkingen achteraf:

Ik heb de tekst in spreektaal gelaten, met eventuele germanismen. Helaas begrijp ik de Nederlandse interpunctie nog steeds niet. Bij Heinrich Campendonk en Max Beckmann heb ik enkele zinnen weer opgenomen die ik wegens tijdsgebrek achterwege had gelaten.

De Websites van “Künste im Exil” / „Arts in Exile“ zijn: http://kuenste-im-exil  /  www.arts-in-exile

Men kan doorklikken op: Personen; Objekte; Themen; Kunstsparte; Berufe; Exilland; Arbeits- und Lebensbedingungen; Zeitraum en Zeitstrahl – en dan zijn er telkens nog links en verschillende iconen, bijvoorbeeld een boek voor “Weiter lesen“.

Max Beckmann en Herbert Fiedler zijn reeds in de virtuele tentoonstelling opgenomen.

Voor informatie over alle genoemden heb ik via Google verschillende websites opgezocht. De eerste hint op Felix Hupka dank ik aan Mevrouw Dr. Primavera Driessen Gruber, Orpheus Trust, Wenen; op Internet komt men onder zijn naam bij “Schenker Documents Online” iets meer over zijn tijd tot 1933 te weten, Wikipedia vraagt om bewerking. Voor  Heinrich Campendonk zie ook: Hans Jaffé, “Emigratie in de beeldende kunst – het geval Campendonk”, in: Kathinka Dittrich en Hans Würzner (red.), Nederland en het Duitse Exil 1933-1940. Achttien essays. Amsterdam: Van Gennep 1982, pp. 258-273.

Het citaat van Marius Flothuis is uit diens artikel “Duitse musici  in Nederlandse ballingschap”, in op. cit. pp. 250-257, hier p. 257.

De afstand tot dichtbij is de titel van een semidocumentaire film (1982) over herinneringen aan  de bezettings- en ghettotijd door Barbara Meter, die 1939 uit Duitse ouders in het exil in Amsterdam ter wereld kwam. Moeder Elisabeth Plaut was muzieklerares. Vader Leo Meter was schilder, illustrator, toneel-decorontwerper; zijn voornaamste leraar in Duitsland was Campendonk geweest. Leo Meter sloot zich in 1940 bij het verzet aan, als gedwongen soldaat stierf hij in 1944 aan het oostfront. Op het Internationale Film Festival Rotterdam (IFFR) in januari / februari 2015 ging Babara Meters ‘zoektocht’ naar haar vader, Bis an den Himmel und noch viel mehr, in première.

Een korte overzicht en beschrijving van naar Nederland gevluchte schrijvers, hun organisaties en hun publieke ‘opname’ in de 1970er tot 1990er jaren vindt men bij Ursula Langkau-Alex, “Verlegen im Exil in den Niederlanden – historisch und aktuell. Die Niederlande und die Flüchtlinge”, in: Volker Heigenmooser / Johann P. Tammen (Hrsg.), Verlegen im Exil. Eine Dokumentation. Bremerhaven: edition die horen, pp. 99-110, inz. pp.105-110.

 

hard//hoofd Geheugengebreken

EVENT

GEHEUGENGEBREKEN

VRIJDAG 20 Maart, start programma 20:00 uur

hard//hoofd onderzoekt de kwetsbaarheid van het geheugen aan de hand van audiovisuele kunst, fotografie, poëzie en neurobiologie tijdens een buitengewoon elegante avond in Castrum Peregrini.

Uw herinneringen bepalen uw identiteit. Maar soms raken de hersens onverhoopt verstrikt. Wanneer er een deel van uw geheugen verdwaalt, wie bent u dan nog? Wat gebeurde er die ene avond na vier tequila en zeven bier? En wat als u uw gezichtsvermogen verliest? Blijven de beelden dan? Met:

Rein Jelle Terpstra, beeldend kunstenaar, fotograaf.  Presentatie van het project: ‘Retracing’… Brankele Frank, afgestudeerd neurobiologe, oud-schrijfster bij hard//hoofd Rachel Heemskerk, audiovisueel kunstenaar, korte film: ‘Kijken waar ik niet kijken kan’ Amber-Helena Reisig, schrijfster van proza en poëzie, voordracht

presentatie Kasper van Royen

Deelname aan deze avond is gratis maar beperkt. Email simone@hardhoofd.com om u van een plek te verzekeren

NES#1 Sarah van Sonsbeeck

New Ears Salon

Concert, exhibition and more…

Zondag 19 April 2015, 15 – 18:30uur

Samen met de kunstenaars willen het Ives Ensemble en Castrum Peregrini een ruimte creëren voor kunst, makers en publiek waarbinnen de afstand tot atelier en podium verdwijnt. De bezoekers zijn niet slechts publiek, maar wezenlijk onderdeel van het onderzoek dat de kunstenaar aangaat.

Voor deze eerste New Ears Salon is Sarah van Sonsbeeck uitgenodigd. Deze Nederlandse kunstenaar is al lang gefascineerd door stilte. Zij ontwikkelde voor deze editie het concept ‘Let’s Think About Nothing Together’. Samen met het Ives Ensemble selecteerde zij muziek van John Cage, Alvin Lucier en Erik Satie die een meditatief effect op de bezoeker heeft, waarbij zij samen met het publiek wil onderzoeken of het mogelijk is aan niets te denken. Er zal een aantal bestaande en nieuwe werken van Van Sonsbeeck worden getoond waarvan een enkele ook als tijdelijk muziekinstrument zal dienen.

Het concert zal doorweven zijn met gesprekken met Sarah van Sonsbeeck een bijdrage van Tijs Goldschmidt (gedragsbioloog en schrijver) en begeleid worden door moderator Nathanja van Dijk (A Tale of a Tub & Frankendael Foundation).

Entree: € 45,- voor het complete programma zondag 19 april, inclusief hapjes en drankjes.

Reservering verplicht:  info@ives-ensemble.nl

NES logo

programma (o.v.)

inloop – koffie en thee

salonopening

gesproken column door Tijs Goldschmidt

John Cage – In A Landscape

John Cage – Six Melodies

Interview en publieksgesprek o.l.v. moderator Nathanja van Dijk

pauze – hapje en drankje

Erik Satie – Danses Gothiques

John Cage – Living Room Music

Alvin Lucier – Nothing Is real

rondleiding expositie met van Sonsbeeck en publieksgesprek o.l.v. moderator

 nazit – hapje en drankje

Samen met de kunstenaars willen het Ives Ensemble en Castrum Peregrini tijdens New Ears Salon  een ruimte
creëren voor kunst, makers en publiek waarbinnen de afstand tot atelier en podium verdwijnt. De bezoekers zijn niet slechts publiek, maar wezenlijk onderdeel van het onderzoek dat de kunstenaar aangaat. Het concert zal doorweven zijn met gesprekken met de kunstenaar, een bijdrage van Tijs Goldschmidt (gedragsbioloog en schrijver) en begeleid worden door moderator Nathanja van Dijk (A Tale of a Tub & Frankendael Foundation). Castrum Peregrini kent als voormalig onderduikadres natuurlijk een zeer specifieke band met stilte.

Sarah van Sonsbeeck legt zich toe op het onderzoek naar stilte. Het waren haar luidruchtige buren die van Sonsbeeck hiertoe inspireerden. In een brief vroeg zij hen tachtig procent van haar huur te betalen, precies dat deel dat ze innamen in haar huis met hun geluid. Sindsdien onderzoekt zij stilte in al haar facetten en stelt zij de gevonden betekenissen in haar werk ter discussie. ‘Architect van het antigeluid’ wordt zij daarom wel genoemd. Van Sonsbeecks werk is poëtisch, onderzoekend, intelligent, nieuwsgierig en soms ook humoristisch. Zij is met eenvoudige middelen in staat van een ogenschijnlijk alledaagse realiteit een sublieme ervaring van ruimte te maken.

Van Sonsbeeck ontwikkelde voor deze editie het concept ‘Let’s Think About Nothing Together’. Samen met het Ives Enseble selecteerde zij muziek van John Cage, Alvin Lucier en Erik Satie die een meditatief effect op de bezoeker heeft, waarbij zij samen met het publiek wil onderzoeken of het mogelijk is aan niets te denken. Er zal een aantal bestaande en nieuwe werken van Van Sonsbeeck worden getoond waarvan een enkele ook als tijdelijk muziekinstrument zal dienen (Light S.e.s.a. zie foto).

Europa Denken, Europa Doen

Europa Denken, Europa Doen.

1e aflevering Maandag 9 Maart, 16uur

–          Frank Kresin research director van De Waag Society en

–          Saskia van Stein, artistic director NAIM / Bureau Europa

–          Gespreksleider: Jotham Sietsma, MitOst (Berlijn)

In een reeks van vier events die in samenwerking met Creative Europe Desk NL in 2015 tot stand komt, komen afwisselend (EUROPA) DENKERS eDOENERS aan het woord die inspiratie en ervaring delen met de groep aanwezigen. Allen personen en instellingen die Europese plannen ontwikkelen of de mogelijkheden ervan voor hun eigen activiteiten willen onderzoeken. En telkens nieuwe sprekers.

EUROPA DENKEN, EUROPA DOEN wil positieve en attractieve rolmodellen over cultureel werken in Europa voor het voetlicht brengen, als inspiratiebron voor jonge en gevestigde cultuurmakers en vertegenwoordigers van culturele organisaties. Op die manier wil het project individuen en vertegenwoordigers van organisaties uit de culturele industrie stimuleren in Europa te ondernemen en/of samenwerkingsverbanden aan te gaan met Europese partnerorganisaties.

de datum voor de 2e aflevering Europa Denken, Europa Doen

volgt binnenkort.

Het aantal plaatsen is beperkt, aanmelden verplicht, Email mail@castrumperegrini.nl

Conflicting Memories: Ukraine pictures, press & podcast

Conflicting Memories: Ukraine

– a political crisis from a cultural perspective.

26 February 2015, an event in cooperation with European Cultural Foundation

click here for an impression of the evening on FILM.

Openingsspeech Michael Defuster, director Castrum Peregrini:

“Good evening Ladies and Gentleman, welcome to Castrum Peregrini. My name is Michael Defuster, I am executive director of the foundation. Welcome to our special guests: Vasyl Cherepanin and Mykhailo Glybokyi from Kiev, Yevhen Ghlibovitsky and Yevhen Hulevich from Lviv and Ivan Krastev from Sofia, Bulgaria. A warm welcome to Katherine Watson and her team from the European Cultural Foundation, with whom Castrum Peregrini worked closely together to organize this evening. Special thanks to the ECF for supporting the second try to let this debate take place, after the first one, that was original planned for last December, for several reasons had to be postponed at the last minute. We really appreciated your flexibility and creativity by which some unexpected hurdles were taken.

Castrum Peregrini is happy to present you the lecture conversation of this evening as part of its year programme MEMORY MACHINE. WE ARE WHAT WE REMEMBER. that hosts activities that relate our cultural memory with our identity. CONFLICTING MEMORIES; UKRAINE, A POLITICAL CRISIS FORM CULTURAL PERSPECTIVE refers directly to the setup of our programming: we identify ourselves as individuals and as member of a group by our memories. This process of identification needs to be put into perspective, to be able to avoid its power to exclude. As the subject of this evening will show, identity policies are too often used to overpower others instead of including them.

During the three months between our first attempt in December and now, the situation in the Ukraine has turned to the worse. Although the country is suffering a complete war with the separatist rebels in its east region of Donbas, the main players in the conflict seem to be Putin led Russia as the aggressor and the Western World as the challenged one, represented by the NATO and European Union, for whom Angela Merkel’s Germany is taking the lead to stop the conflict with diplomacy. The ceasefire deal she was able to reach came into force only eleven days ago, on the 15th of this month. But it is already clear by now that the agreement will not stand. Is Putin really eager to occupy the whole of Ukraine? Or is Ukraine once again merely a pawn in the fight for dominance on the continent between the eastern and western powers, like it has been so many times in its history?

This time, the motives of the Russian aggressor are unclear and the reactions of the European Union remain vague and hesitant. Are the Western European countries willing to help the Ukraine to overcome its economic and safety collapse and to get independent from Russian influence? What does the Kremlin want to reach with its actions of disturbance? A huge part of the Ukrainian population is eager to join the European Union, with its promises of self-realization, security and freedom, like the protests on Maidan Square were testifying. In the east of the country, another part is backed by Russia to fight against its own government with the aim to get independence for the Donbas region. In effect, the country itself is culturally split into a western and eastern European identity. What are the differences between those two ways of thinking, feeling and remembering, and why are they so conflicting?

I hope that this evening will give us a glimpse onto the complex rational and irrational forces that are behind the theatre that official politics are presenting us on a daily basis in the media. They threaten not only the destinies of the Ukrainians but also the future of the West Europeans.

Before I give the word to Ivan Krastev I want to mention a special production you can admire in the small room, next to the bar. Yevhen Hulevitsch, director of the Center for Humanities in Lviv presents there the website MAPPING FUTURE HERITAGE: Tropos, Antropos, Topos. The website is using advanced software to visualise networks between places, people, and their ideas. This project was a result of the collaboration of Centre for Humanities of the University of Lviv and Castrum Peregrini. It took place in 2011/2012 as part of Tandem, the cultural manager exchange programme of the European Cultural Foundation. We are grateful that the ECF made it possible to build further on the co-operation we established then.

Ivan Krastev will start the lecture conversation tonight with a statement on the topic. He is the Chairman of the Centre for Liberal Strategies in Sofia, and permanent fellow at the IWM Institute of Human Sciences in Vienna. He is a founding board member of the European Council on Foreign Relations, a member of the advisory board of the ERSTE Foundation. He is also associate editor of Europe’s World and a member of the editorial board of the Journal of Democracy and journal Transit – Europäische Revue. He was the Editor in Chief of the Bulgarian edition of Foreign Policy (2005-2011). He was ranked in the 2008 Top 100 Public Intellectuals Foreign Policy/Prospect List. Since 2004, he has been the executive director of the International Commission on the Balkans chaired by the former Italian Prime Minister Giuliano Amato. He is a co-author with Steven Holmes of a forthcoming book on Russian politics. And Ivan is also participating together with Castrum Peregrini in the Vienna Conversations of the Bruno Kreisky Forum for International Dialogue in Vienna.

After Ivan Krastev’s speech, Katherine Watson, the director of the European Cultural Foundation, will take the role of moderator and introduce to you the other speakers of the panel.  Ivan Krastev, please!”

‘VOLKSKRANT’ 26 February 2015:

VK_26feb2015

 

 

 

 

 

 

 

 

‘DE CORRESPONDENT’, 4 March 2015 – interview with Ivan Krastev: Hoe Europa de politiek ontdeed van het politieke (en zichzelf zo in een crisis heeft gestort)

‘PLATFORM NEDERLAND OEKRAINE’, 28 Februari 2015: “50.000 Russen demonstreerden toen de Krim werd geannexeerd”

‘DE CORRESPONDENT’, 12 Dec 2014 – interview with Vasyl Cherepanyn (Kiev): Deze dappere denker wil met kunst zijn land bevrijden (maar zijn rector noemt het stront)

Below pictures are all by: photographer PIP ERKEN

09-debat by Pip Erken 10-debat by Pip Erken 13-debat by Pip Erken 14-debat by Pip Erken 15-debat by Pip Erken 16-debat by Pip Erken 17-debat by Pip Erken 18-debat by Pip Erken 19-debat by Pip Erken 20 debat by Pip Erken 21 debat by Pip Erken 22 debat by Pip Erken 23 debat by Pip Erken 24 debat by Pip Erken 26 debat by Pip Erken

 

 

DEGEHEUGENMACHINE

PartnerDe Gidsship

Castrum Peregrini

en De Gids

 

Donderdag 12 Februari 2015 is onze samenwerking met De Gids van start gegaan, het eerste mini-essay dat aansluit bij een onderdeel van onze reeks Memory Machine – We Are What We Remember.

De aftrap is geschreven door Dirk van Weelden; ‘Familieverhalen’ verwijzende naar de tentoonstelling Family Affair die nog tot en met zaterdag 28 Februari 2015 is te bezoeken. DvW: “Familie als interface tussen geschiedenis en individu“.

In 2015 zal De Gids een mini-essay van de hand van telkens een andere Nederlandse auteur plaatsen in deze nieuwe reeks DEGEHEUGENMACHINE. De volgende ‘De Gids’ verschijnt op 16 April a.s.

Voor niet abonnees; afzonderlijke artikelen uit ‘De Gids’ zijn te downloaden via BLENDLE, voor ‘Familieverhalen’ van Dirk van Weelden zie: https://blendle.com/i/de-gids/familieverhalen/bnl-degids-20150212-28062_familieverhalen

De Gids_Familieverhalen

De Gids Familieverhalen Februari 2015

De Gids verschijnt sinds 1837 en is in jaargang 178 beland, afgelopen week verscheen nummer 1. in 2015.

Conflicting Memories: Ukraine – 26 February 2015

12_conflicting memoriesPRESS RELEASE

Conflicting Memories: Ukraine

– a political crisis from a cultural perspective

Amsterdam, 17th February 2015

The EU and Russia are really living in different worlds and the competition is to demonstrate which of this worlds is the real one,” – says Ivan Krastev, chairman of the Center for Liberal Strategies, Sofia. Being the expert in politics of Eastern Europe, Krastev will lead the discussion ‘Conflicting Memories’ with Ukrainian activists and cultural thinkers on 26th of February:

–          Vasyl Cherepanyn, Visual Culture Research Centre, Kyiv,

–          Yevhen Hlibovitsky, Pro Mova, Lviv

–          Mykhailo Glybokyi, Izolyatsia, Platform for Cultural Initiatives

The event will take place at:

Castrum Peregrini, Herengracht 401, entrance Beulingstraat on

Thursday, 26th of February at 19:30 hrs.

In old Slavic language ‘Ukraine’ literally means ‘borderlands’, ‘by the border’, symbolic for the country bordering Russia and the EU. But is it an origin for the separatist actions and recent armed conflict? A blurring border on the East of Ukraine is a warning signal for the whole geo-political climate on the post-soviet territory. Looking from the cultural perspective, panelists will debate upon clashing cultural references of the Ukrainian identity, which created the ground for the on-going conflict.

No matter what Kremlin’s agenda is, Ukraine is the most logical spot for the first manoeuvre. This discussion is a great chance to hear a life debate on insider beliefs of Ukraine from both East- and West-Ukrainian perspectives, not shadowed by the media. Cultural and political activists, Vasyl Cherepanyn, Yevhen Hlibovitsky, Mykhailo Glybokyi, are going to give an impulse presentation on their view of the current conflict. The presentations will be followed by a panel discussion, opened for the audience.

Conflicting memories: Ukraine. A political crises from a cultural perspective takes place within the Memory Machine – We Are What We Remember programme of Castrum Peregrini and is established in close cooperation with the European Cultural Foundation (ECF).

On March 31st, Vasyl Cherepanyn will be honoured with the ECF Princess Margriet Award for Culture for the outstanding work at Visual Culture Research Center (Kyiv). The ECF Princess Margriet Award for Culture Award is a platform for showing those whose creative work can truly make a difference to Europe’s varied societies, underlining ECF’s belief that social and political change requires artistic and cultural engagement. The Award was launched in 2007 in honour of ECF’s former President, HRH Princess Margriet of the Netherlands and now annually given to European artists, intellectuals and activistsThe prestigious award includes prize money of 25,000 euros per laureate: http://www.culturalfoundation.eu/pma-2015

Castrum Peregrini’s programme Memory Machine – We Are What We Remember about our memory and what it says about who we are: as an individual and as a group, about how collective memory is formed, influenced and eroded. For the full programme, see: www.facebook.com/MemoryMachinebyCastrumPeregrini

Short Bio’s of the speakers:

Ivan Krastev (1965), is the Chairman of the Centre for Liberal Strategies in Sofia, and permanent fellow at the IWM Institute of Human Sciences in Vienna. He is a founding board member of the European Council on Foreign Relations, a member of the advisory board of the ERSTE Foundation. He is also associate editor of Europe’s World and a member of the editorial board of the Journal of Democracy and journal Transit – Europäische Revue. He was ranked in the 2008 Top 100 Public Intellectuals Foreign Policy/Prospect List. Since 2004, he has been the executive director of the International Commission on the Balkans. He is a co-author with Steven Holmes of a forthcoming book on Russian politics. see also: https://www.opendemocracy.net/author/ivan-krastev

Vasyl Cherepanyn (1980), Kiev is founder and chair of the Visual Culture Research Center (VCRC)http://vcrc.org.ua/en/миколаріднийукриття/. The VCRC is nominated for the ECF Princess Margriet Award for Culture, March 31st 2015 in Bozar Brussels. more information: http://www.culturalfoundation.eu/pma-2015 Cherepanyn did a PhD in cultural studies department National University of Kyiv / Mohyle Academy. Vasyl Cherepanyn is an activist, artist and teacher at university.

Yevhen Hlibovytsky, (1976), is a founder of pro.mova, an independent think tank that conducts research on cultural values in the post-Soviet countries and inside Ukraine. His educational background is in political science, professional background (until 2005) in political journalism. This year he was involved in the establishment of the station HromadskeTV, a prototype of Public Service Broadcast in Ukraine. He is a lecturer at the UkrainianCatholicUniversity in Lviv and Kyiv-Mohyla

Mykhailo Glybokyi (1986 Donetsk)

 

The event will take place at:

Castrum Peregrini, Herengracht 401, entrance Beulingstraat on

Thursday, 26th of February at 19:30 hrs.

Entrance 5 euro; students 3 euro;

r.s.v.p. E: productie@castrumperegrini.nl

 

Note, not for publication:

More information, pictures etc. please contact

Frans Damman, Castrum Peregrini, 020- 6235287,  f.damman@castrumperegrini.nl

Rosa Koenen, communicatie ECF 020- 5733868,  rkoenen@culturalfoundation.eu

ECF

 

Click here for pictures, podcast and more

Talks to Remember 3: Avrum Burg

Avrum Burgs speech

at the opening of

the exhibition

Family Affairs

and a little indtroduction by Lars Ebert

Exhibition: Family Affair

Family Affair

Avraham Burg, author and former speaker of the Knesset, opened the exhibition FAMLIY AFFAIR with a lecture on 22 January 2015 at Castrum Peregrini, Amsterdam. The exhibition with photographs by Reli Avrahami and texts by Avner Avrahami showcases how inclusive a society can be, how the human level overcomes divisions.

An exhibition curated by Galia Zur Geev and produced by Jüdisches Museum Hohenems.

ljmh

 

The exhibition was on show until 28 February 2015.

For ten years, Reli Avrahami and Avner Avrahami have wandered throughout Israel, photographing hundreds of families and questioning them about their daily lives, about their  dreams and beliefs, their origins and their relations. Their portraits appeared  week by week Haaretz becoming a routine for Israeli readers that encountered a variety of people through a colourful photograph and a very personal text. The traces of tensions in the Israeli society, national and religious, social, political or ethnic, are visible in the ambience of everyday life, in the environment of living rooms and family stories of those born in the country or immigrated, Jews and Arabs, Muslims, and Christians, coming from Europe, Africa, and Asia. Of the hundreds of families and their stories, about 80 were selected for this exhibition and a few new portraits have been especially produced of families from Amsterdam.

Family Affair is part of Castrum Peregrini’s programme Memory Machine. We are what we remember about our memory and what it says about who we are: as an individual and as a group, about how collective memory is formed, influenced and eroded. For the full programme, see: www.facebook.com/MemoryMachinebyCastrumPeregrini

About the artists and the curator:

Reli Avrahami is photographer. She was born in Israel in 1960. She works and lives in Israel. On 6th January 2015, Reli received the prestigious Enrike Kablin Award in photography for her oeuvre:  “The portraits and families photos of Reli Avrahami are carved in the Israeli collective memory and accompany the view of the Israeli society of itself. The photographer-artist, active since the mid-80’s, is counted with the elite journalism photographers in Israel. She puts in front of her camera people and faces from every social class, age, sex and origin, and captures them with persistent loyalty to her esthetical agenda. … For her commitment to social photography in Israel and her contribution to the status of photography in the public consciousness and conversation, the Kablin award for her oeuvre is given to her.”  Together with her husband author and journalist Avner Avrahami, who wrote the texts accompanying her portraits, she is a columnist for several Israeli newspapers.

Galia Gur Zeev is photographer and curator. She was co-founder of the Limbus-Place For Photography in Tel Aviv. From 1992 till 2009 she was the director and curator of this institution.

About the opening speaker:Avraham Burg

Avraham Burg (1955), is an Israeli author and politician; he was formerly a member of the Knesset, a chairman of the Jewish Agency of Israel and a Speaker of the Knesset. Burg was Labor Party when a member of the Knesset. In January 2015 Avraham Burg announced that he has joined Hadash – the democratic front for peace and equality for Jews and Arabs.

מצב משפחתי

lazar – Reli Avrahami

מצב משפחתי

Kurbashi_Reli Avrahami

מצב משפחתי

Agmor_Reli Avrahami

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

The exhibition was made possible with the support of:

Mondriaan Fonds, Amsterdams Fonds voor de Kunst, KUNSTENISRAËL, Bundesministerium für Europa, Integration und
Äußeres, Wien and the Embassy of Israël in the Netherlands.

For more information, images or interview possibilities with the artists, the curator or Avraham Burg,

please contact Frans Damman at f.damman@castrumperegrini.nl  or +31 20 6235287

141225_CP_uitnodiging_Family_affair_aangepast_logo

Mijn laatste herinnering

column_Avrum_Burg

Deze column is gepubliceerd in Memory Machine.

 

Art for Memory PCF

Lecture Conversation

Art for Memory

7 december, 19 uur

  7__Art_for_memoryAdmission: 5 euro; students 3 euro; supporters Castrum Peregrini free RSVP at productie@castrumperegrini.nl Language English

The evening is a collaboration with the Prince Claus Fund and is part of Culture in Action: Prince Claus Awards Week

Karen Bernedo and Orestes Bermudez Rojas will present their work and enter into a conversation with N.N.  about the role of art in collective memory processes.

Moderator: Renée Turner, director Piet Zwart Institute

PCF_logo_txt_English_black (1)Karen Bernedo Morales is an independent curator and researcher. She is the director of Virtual Museum of Arts and Politica Violence and Member and co-founder of Itinerant Museum of Art for Memory.

Orestes Bermudez Rojas is a visual artist and a member an co-foundator of Itinerant Museum Art for Memory.

Itinerant Museum of Art for Memory –Museo Itinerante de Arte por la Memoria-, is one of the initiatives receiving the prestigious 2014 Prince Claus Award.

 

Hans Keilson – Schrijven dat uit leven voortkomt

Programma ‘Dagboek 1944’ van Hans Keilson

SCHRIJVEN DAT

UIT LEVEN VOORTKOMT

Dinsdag 18 november, 20uur

boekomslag

Een avond rond het herontdekte ‘Dagboek 1944’ van Hans Keilson. Recent verschenen in Nederlandse vertaling.

Met: – Opening Castrum Peregrini, –  Interview Marita Keilson door Xandra Schutte (Groene Amsterdammer), –  Lezing Jaap Cohen (onderzoeker NIOD), –  Jos Versteegen leest door hem vertaalde sonnetten  van Hans Keilson

Toegang vrij, RSVP E: productie@castrumperegrini.nl

Deze avond komt tot stand i.s.m. Uitgeverij Van Gennep

 

 

 

 

Maxim Leo Haltet euer Herz bereit

Boekpresentatie:

Maxim Leo Haltet euer Herz bereit

14 November, 20u

Eine ostdeutsche Familiengeschichte Michel Krielaars interviewt Maxim Leo Vrijdag 14 november, 20:00 uur Goethe-Institut, Herengracht 470, Amsterdam

Toegang: € 5; met korting: € 3; studenten: gratis voertaal: Duits Een samenwerking van Uitgeverij Cossee, Goethe-Institut Niederlande en Castrum Peregrini

Rosi Braidotti – 3 November 2014

Talks To Remember

Rosi Braidotti

3 november 2014, 20 uur .

5_Talks-to-remember_Rosa_BraidottiThe nomadic subject: memory and imagination

In het kader van haar jaarthema memory machine organiseert stichting Castrum Peregrini lezingen waarin toonaangevende internationale denkers over collectieve herinnering en identiteit spreken. Op 1 oktober vindt de eerste aflevering plaats. Entrée 7 euro; studenten 5 euro; jaarvrienden gratis RSVP at productie@castrumperegrini.nl The evening is a collaboration with the Centre for Humanities, University of Utrecht

The tekst of the lecture by Rosi Braidotti will be published on this page, soon.

SONY DSC

Iris van der Tuin en Rosi Braidotti bij Castrum Peregrini

 

.

Magazine Memory Machine

Memory Machine

Tijdschrift over ons cultureel geheugen en identiteit bij de gelijknamige programmareeks
.

mmmZaterdag 1 november verscheen het magazine Memory Machine, 56 pagina’s vol artikelen over onze identiteit en het cultureel geheugen. Uitgever Castrum Peregrini vroeg zanger/schrijver Rick de Leeuw vijf bekende Nederlanders te interviewen over welke plek bepalend is geweest voor hun identiteit. En er is een verrassende kijk op iconische fotobeelden die ons collectief gedachtengoed bepaald hebben. Het blad verschijnt als éénmalige bijlage van Het Parool.

Het magazine is onderdeel van het langlopende programma Memory Machine. We are what we remember, georganiseerd door Castrum Peregrini, centrum voor denken, debat en cultuur, samen met een aantal partnerinstellingen. Ons cultureel geheugen en de relatie die dat heeft met wie wij zijn, staat centraal in dit programma vol tentoonstellingen, debat, toneel, documentaires, radio en publicaties.

Je bent wat je je herinnert: identiteit hangt  nauw samen met wat zich in ons geheugen heeft genesteld. De politieke turbulentie van vandaag is onlosmakelijk verbonden aan vragen rondom onze identiteit en onze collectieve waardes: van de Oekraïne, Syrië, Noord-Irak  tot aan Zwarte Piet en de verlokking van het jihadisme bij jongeren. Bij wie ben je thuis, waar voel je je veilig?

Het tijdschrift Memory Machine zoomt in op ons vermogen om te herinneren, maar ook om te vergeten. Verslaggevers gaan op zoek naar de vraag: Wat is er leuk aan een reünie? Hoe maken politici slim gebruik van onze trots over collectieve waardes en wat betekenen social media voor de identiteit van jongeren vandaag? Dichter Maria Barnas tot slot, tekent de stad zoals zij zich hem herinnert: een droomroute langs liefdes, eerste baantjes, Theo van Gogh en getroebleerde dichters.

Het nummer Memory Machine is los verkrijgbaar bij Castrum Peregrini, of als download hier.

Forms of Forgetting

Aleida Assmann

Forms of Forgetting


The Royal Dutch Academy of Sciences has awarded Prof. Assmann the 2014 Dr. A.H. Heinekenprijs for historical sciences. This text is her public lecture which she held for the occasion at Castrum Peregrini on 1 October.

                                                                                    

amnorman-2815With the recent boom of the study of social and cultural memory, we have come to believe that remembering is something culturally valid and that there is even an ethical imperative of remembering. This point has been stressed by Jan Philipp Reemtsma who argues that

“We live with the consensus that we need to remember and that we must fight forgetting. (…) But what should be positive about remembering? Remembering and forgetting are human capacities that are neither positive nor negative per se, but are both needed for coping with life.“[1]

There is, indeed, no intrinsic reason why remembering should be given precedence over forgetting. The meaning and value of forgetting solely depends on the social and cultural frames within which it is constructed. For this reason, I will focus in my contribution on some of these frames, analyzing the dynamics of remembering and forgetting in specific socio-historical contexts, analyzing ‘seven types of forgetting’, hoping to thereby gain a deeper insight into its modes of functioning.

 

1. Automatic forgetting material, biological, technical- and its limit

Let me start with the observation of a basic asymmetry: not remembering, but forgetting is the default mode of humans and societies. Remembering is negation of and resistance to forgetting, usually involving a will and effort, a veto against the destructive power of time. Just like the cells in an organism, the objects, ideas and individuals of a society are periodically replaced. This slow process of (ex)change is considered natural and does not raise any alarm. Forgetting happens silently, inconspicuously and ubiquitously, while remembering is the unlikely exception from the rule, requiring conscious efforts and specific framework.

Generally speaking, it is only a minimal part of what has been experienced, communicated and produced that actually outlasts a human life and is handed on to future generations. A photo, a necklace, a piece of furniture, a proverb, a recipe, an anecdote – that is, at most – what grandchildren retain from the lives of their grandparents. In families whose homes were bombed during the war, who were forced to flee or just moved frequently, material remains are unlikely to accumulate.  Nor are the remains stored in cellars or attics likely to survive much longer; sooner or later they also end up in containers and heaps of rubbish. Individuals may be strongly affected by this ongoing destruction of material remains, but from the perspective of the society as a whole these everyday occurrences are perfectly normal and healthy, evolving smoothly and automatically,  attracting no attention whatsoever.

Two motors of forgetting are involved in this silent process. Social forgetting in the bio-rhythm of generational change depends on devaluating and dismissing the experiences of an older generation by a younger generation. In the modern time regime of Western societies, each new generation is eager to create its own defining memories, values and projects by means of which it aims to usurp the place of the former. The other powerful motor of continuous forgetting is disposal of material waste. The force of generational change and the economic acceleration of mass production are not naturally given universals, but consequences of the time regime of modernity in Western societies with its strong emphasis on technical and economic innovation. It is the flip side of this innovation is that commercial products have to be replaced in ever shorter intervals. This form of forgetting consists in the routinized replacement of the old by the new, which is an unchallenged and constituent part of cultural evolution in the domains of science, technology and economy. At the dawn of the industrial revolution in the 19th century, the American philosopher Ralph Waldo Emerson analyzed this process of modernization as a dynamics of innovation and obsolescence. He identified destruction and forgetting as two powerful factors of progress. In order to create something new, he claimed, many things have to disappear “in the inevitable pit which the creation of new thought opens for all that is old”.[2] In an influential essay published in 1841, Emerson enthusiastically described the modern time regime as driven by an irreversible and inexorable ‘fury of disappearance’[3]

“The Greek letters last a little longer, but are passing under the same sentence, and tumbling into the inevitable pit which the creation of new thought opens for all that is old.  The new continents are built out of the ruins of an old planet: the new races fed out of the decomposition of the foregoing.  New arts destroy the old.  See the investment of capital in aqueducts made useless by hydraulics; fortifications, by gunpowder; roads and canals, by railways; sails, by steam, by electricity.” [4]

As a strong supporter of evolution, progress and modernization, Emerson also became an advocate of forgetting. He testified to an exclusive orientation towards the future and described himself as “an endless seeker with no past at my back” (304). The emphatic orientation towards the future automatically withdraws value and attention from the past. As long as the future is the central resource for hope and progress, remembering the past must appear as an obstinate, backward and even pathological deviation from the norm. The limits and problems of this position become obvious as soon as we are dealing with a traumatic past. In 1918, for instance, the American poet Carl Sandburg wrote a poem about the great battlefields of the 19th and 20th century, from the perspective of the grass:[5]

Pile the bodies high at Austerlitz and Waterloo.

Shovel them under and let me work –

I am the grass; I cover all.

And pile them high at Gettysburg

And pile them high at Ypres and Verdun.

Shovel them under and let me work.

Two years, ten years, and passengers ask the conductor:

What place is this?

Where are we now?

I am the grass. Let me work.

The cynical tone of the poem suggests that smooth transformation of history into ‘nature’ is unacceptable where human violence, suffering and massive losses are involved. It becomes even more scandalous if it plays into the hands of perpetrators who profit from automatic forgetting in the passage of time. In W.G. Sebald’s novel Austerlitz there is a passage in which he narrator muses

“how little is it that we can keep and hold fast in our memory, how much and how many things continuously slip into forgetting with every extinguished life, how does the world as it were empties itself out, shedding all the stories, that had been connected to innumerable places and objects, which are no longer heard, recorded or transmitted.”[6]

This quotation sounds like an accurate description of inevitable automatic forgetting: after each generation the world, as it were, empties itself spontaneously and stories and memories irrevocably disappear along with the deceased. This, however, is not what the Sebald’s narrator has in mind in this passage. The narrator, in this case, muses about the loss of stories connected to very particular traumatic places: the fortresses of Breendonk and Terezín, which the Nazis turned into a prison and a Jewish Ghetto. If we replace natural death with torture and murder, the context is drastically changed. In light of the suffering of the victims, the automatism of forgetting becomes morally scandalous. In order to separate himself from complicit forgetting, Sebald’s narrator returns to these places of trauma, searching for traces of a lost past and trying to recollect and remember some of the innumerable stories attached to objects and places in order to recover, acknowledge and transmit these stories. The grass of forgetting is not selective – it grows anywhere. Humans, on the other hand, are able to choose between forgetting and remembering which can involve an ethical decision, mobilizing cultural efforts to rescue historical experience from the general pit into which the past always tends to disappear.

 

2. Preservative forgetting – the entry into the archive  

Let us now focus on the unlikely case of something being retained and extracted from the ongoing stream of time and forgetting. Collectors and visitors of flea markets are agents of delay; they protect specific objects from decay by integrating them into their collections. The human urge to attach value to objects and to collect them is the foundation of many a library, gallery or museum. But it is only when the collection is given the protective roof of an institution, that an object has the solid chance of an extended existence. Institutions providing such a social guarantee for preservation include the archive, the library and the museum. Historical archives have evolved rather recently; they were introduced at the time of the French Revolution and have become a stronghold of Western democracies and historical thinking. The historical archive must not be confused with its predecessors, which it has supplanted but not annihilated: the political archives of the state, the church and other institutions of power. While these archives were used as instruments of claiming prestige, establishing legitimation and exerting power, historical archives are intended to serve the commonality: They preserve documents and relicts of the past that have lost their immediate function in the present. It is this form of maintaining elements of the past, cut off from immediate use, that I here refer to as ‘preservative forgetting’.[7] Material preservation of what was once thought or done makes possible its reentry into cultural memory. In this way, the archive creates a space of latency between passive forgetting and active remembering.

It is well known that Nietzsche slandered this institution of the historical archive with his scathing polemic, denouncing the mere storage and accumulation of historical knowledge as a dangerous burden for individual, society and culture. Intentionally or unintentionally, Nietzsche is invoked whenever the problem of data accumulation is addressed in terms of a ‘threatening flood of information’ that is uprooting the sense of identity and orientation. In modern societies, this overload of knowledge production cannot be solved by operations of deleting information, but only with the help of individually applied criteria of selection that separate the relevant from the irrelevant. While the media focus attention and highlight a certain canon of cultural products, it must be emphasized that individuals in Western democracies are no longer told what to remember and what to forget, but are encouraged to make their own choices and develop their own criteria for selection.

But of course they never do this in a void. Humans live in the ‘semiosphere’ (or semiotic ecosystem) of a culture that over a long-term period has gradually established a massive framework for remembering and forgetting. Cultural memory in Western societies relies on a dynamic exchange between two institutions, which I refer to as the canon and the archive. The canon here stands for a small number of cultural messages that are addressed to posterity and intended for continuous repetition and re-actualization. This active form of memory includes sacred texts of religion, important historical events and eminent works of art that future generations – to put it in the words of John Milton – “will not willingly let die”.[8] At the other end of the spectrum, there is the archive, a storehouse for cultural relicts. These relicts have become de-contextualized and disconnected from those frames, which had formerly authorized them or determined their meaning. Through this de-contextualization, these messages have lost their immediate addressees as well as their direct meaning and function. They are, however, not forgotten and thrown away. Instead, they are seen as a source of historical information and are therefore preserved for re-inspection.[9] As part of the archive, these documents exist in a state of latency or transitory forgetfulness, waiting to be rediscovered as fragments of relevant information, to be placed into new contexts and to be charged with new meaning through acts of interpretation. The archive provides the basis on which future historians will be able to reconstruct a past that was once the present.

 

3. Selective Forgetting – the power of framing

Not only the dynamics of cultural memory but also the dynamics of individual remembering are hinged on processes of selection. While storage space can be infinitely extended and supplemented, memory space remains a rare resource. While the external storage space of computers is growing exponentially, our brains will have to go on working on the more or less limited and invariant basis of their biological infrastructure. This accounts for the huge difference between storing and remembering: while storing provides a device against forgetting, remembering is always a co-product of remembering and forgetting. For this reason, all processes of remembering include various shades of forgetting such as neglecting, overlooking, ignoring. In other words: the gaps created by forgetting are an integral part of remembering, providing its contours.

What, then, are the selection criteria of the economy of memory? How is the relevant separated from the irrelevant, what is to be included or excluded? Nietzsche recommended forgetting from both a practical and moral point of view. To start with the practical perspective:  for him it is the aim of the ‘man of action’ to bring memory under the control of his will.  Men of action were admired by Nietzsche and Bergson for their capacity to call up only a small segment of relevant memories, which can serve as a motivational impetus towards an intended goal. Everything that cannot be used to achieve this goal has to be “forgotten,” as Nietzsche put it. [10] Today’s cognition psychologists speak of the ‘executive function’, emphasizing the cognitive capacity of ignoring all irrelevant associations in situations of processing information, decision-making and acting.[11] The following sentence in Nietzsche’s text shows that the cognitive and moral dimensions are not always easily separable: “Cheerfulness, a clear conscience, joyful action, trust in the future – all of that depends, in the individual as in a nation, on a line that divides the visible and bright from that which is dark and beyond illumination.”[12] The moral perspective comes to the fore in a famous aphorism, in which Nietzsche shows how memory can become the accomplice of forgetting. In this process, moral issues of guilt and responsibility are glossed over by the stronger socio-psychological norm of face-saving:

“I have done this, says my memory.

I cannot have done this says my pride and stays adamant.

Finally, memory gives in.”[13]

In contrast to Freud who developed a theory of repression, Nietzsche worked on an apology for forgetting which he considered to be an anthropological necessity. He legitimized forgetting from the point of view of the strong male ideal of a person who has to act, wield power and muster courage. All of these acts are based on a positive and confident self-image. Maurice Halbwachs transferred these selection criteria from a socio-psychological to a sociological level. He introduced the concept of ‘social frames’ into memory studies, emphasizing the fact that such selection criteria are in fact not defined ad hoc by individuals themselves but are imposed on them by the groups to which they belong.[14] It is thus the desire to belong that regulates the interaction between remembering and forgetting. Each social frame necessarily excludes a whole spectrum of memories which are either considered not relevant or not acceptable from the point of view of the group. It is only when one memory frame is replaced by another that excluded memories have a chance of being re-appropriated by the group (the same holds true for paradigm shifts in the sciences).[15]

In order to better understand current memory politics, we need to combine Halbwachs, who introduced the notion of social frames, with Nietzsche, who added a psychological dimension to the group-specific memories. National memory is usually organized by collective pride, which means that memories of guilt and responsibility have great difficulty entering the historical conscience and consciousness of a society. Next to pride – and this was not yet anticipated by Nietzsche – suffering has also gained a high priority in the construction of national memory. For a long time, West-German post war memory was selectively focused on the suffering of Germans. It took four decades to move from the Germans as victims to the victims of the Germans.[16] One memory frame functioned as a ‘shield’ eclipsing the other: if the national focus is on victimhood this makes it virtually impossible to also accept responsibility for historical crimes. The problem with national narratives is not so much ‘false memory’ but extremely selective and exclusive memory frames. It was only in the 1990s that we could witness a shift in the construction of national memories, moving from purely self-serving narratives to more complex configurations that also integrate negative and shameful aspects into the collective self-image. An obvious new feature of this shift is the ritual of public apologies, which has introduced world wide a new politics of accountability and regret. Rooted in human rights, it is designed to focus not only on a nation’s own suffering but acknowledges and integrates also ones victims into the national memory.

 

4. Damnatio memoriae – repressive forms of forgetting

In the case of damnatio memoriae forgetting takes on the form of punishment. If a culture values fame and notoriety, considering it a blessing to live on in the memory of posterity, the eradication of a name and other traces of an individual life is considered a serious punishment. In such a culture, ‘mnemocide’, the killing of a person’s memory, is inflicted as a symbolic destruction on an enemy who has fallen from favour. Many cultures share the Egyptian conviction that “a man lives if his name is being mentioned.”[17] Those whose names were erased from the annals or chiseled off from monuments are doomed to die a second death. This form of forgetting, however, is not always practicable, as it provides an instance of what Umberto Eco has described as a general paradox of intentional forgetting: you cannot erase something without at the same time highlighting it and directing attention to what is being rendered invisible.

Historical archives as part of a democratic culture that protects and values the alterity of the past in its own right are a recent institution dating back no later than the French Revolution. Political archives, on the other hand, housing the secret archive of the state as instrument of power and violence, have a much longer history continuing into the present. As long as archives remain sealed, past crimes cannot be historically investigated, as, for instance, the genocide perpetrated on the Armenians. In such a case the victims of violence are bereft of the right to their history. Such repressive forgetting and total control over the past are the topic of George Orwell’s novel 1984.The famous motto of the novel’s fictive state is:

‘Who controls the past, controls the future: who controls the present, controls the past.’[18]

Orwell’s text features an archivist whose job it is to constantly adapt the knowledge of the past to the demands of the present. Making the past disappear, however, is a very hard job. Orwell focuses on the enormous efforts that go into this form repressive forgetting. The strategies of manipulating and distorting the truth include the constant rewriting of documents, the retouching of photographs, as well as more casual forms of denial, such as hushing things up, lying and dissimulation. Though highlighted in a novel, these practices are for from being fictive. A famous historical example for such dissimulation is the film commissioned by the SS in 1944, presenting Theresienstadt, a Nazi ghetto for Jewish victims, as an ideal kibbuz. This film was created as an intentional deception to mislead the world about the repressive and lethal conditions of this ghetto. In this deception the genre of the ‘documentary’ was chosen to depict the ‘reality’ of the ghetto, creating the cynical illusion of an idyll. The cynicism of such repressive forgetting found a climax already in the 1930s with Hitler’ question: “Who today still remembers the Armenians?” Like the genocide of the Armenians that occurred under cover of the First World War, the genocide of the Jews occurred under cover of the Second World War and was meant to be forgotten. 

Repressive forgetting can also be enforced less directly through forms of ‘structural violence’ (Johan Galtung). In patriarchal societies, women had little or no access to writing and printing, which has led to their effective exclusion from archives and libraries. The following quotation comes not from the iconic essay A Room of One’s Own by Virginia Woolf (1928) but from a novel by Jane Austen published in 1817. In Persuasion, the female protagonist remarks: “Men have every advantage of us in telling their own story. Education has been theirs in so much higher a degree; the pen has been in their hands.”[19] The same holds true for religious or racial minorities and other oppressed social groups. ‘Structural violence’ creates a cultural frame of power that allows some voices to be heard while others are notoriously silenced. Chakravorty Spivak’s essay “Can the Subaltern Speak?” is an icon of postcolonial discourse; it shows how difficult it is for some members of society to claim a ‘voice’. Both the African Americans in the U.S.A. and the indigenous populations of colonial countries had similar experiences of an eradication and denial of their ‘history’. Groups that never had a chance to express themselves in writing and who are not equipped with documents collected in archives used to be considered as “void of history” in a Western perspective. Judged against the background of this normative standard, such ‘historical silence’ is today recognized as a manifestation of repressive forgetting. In order to break the silence and restore what has been forgotten to the realm of language and communication, both the structure of power and the cultural frames have to be changed. 

 

5. Defensive and complicit forgetting (protection of perpetrators)

As soon as it becomes obvious that the system of power protecting them is about to collapse, perpetrators of dictatorships and autocratic regimes engage in acts of destroying relics and erasing traces to cover up practices that will henceforth be classified as crimes. Towards the end of the war, the Nazi officials hastily destroyed archival documents of the mass murder of European Jews and material traces of the sites of theses crimes.[20] After 1945, high Nazi functionaries changed their names and identities to escape legal prosecution. It is estimated that up to 80.000 persons chose this under cover existence in post war Germany.[21] While still in power, perpetrators can rely on their laws to guarantee them impunity; but when the legal system changes, they protest against a retrospective application of the new law, opting for amnesty and amnesia. In Argentina, the military junta destroyed all documents of their regime of violence before transitioning to democracy in 1976, and in 1990, the functionaries of the South African Apartheid regime destroyed tons of archival material in the same situation, eliminating potential evidence to be used against them at court. Before the end of the Second World War, seven million membership cards of the NSDAP were brought to a paper-mill near Munich for immediate shredding. They were forgotten, however, in the last chaotic weeks of the war, and later confiscated by the American occupation army. Today they are preserved in the Berlin Document Center, where historians discovered them in 2003. Almost seventy years later, these cards ‘reminded’ a generation of prominent German intellectuals of their NSDAP–membership.[22]

Complicit silence also protects the perpetrators. The most conspicuous example publicly discussed in Germany throughout the year 2010 concerned the charges of sexual abuse brought against the institution of private schools and the Catholic Church. Charges had been made by the victims before, but the information was not passed on but hushed up in order to protect the officials and the respective institution. Those responsible reacted invariably by trivializing, postponing or ignoring the charges. They were confident that by turning a blind eye, this shameful problem could be made to automatically disappear. Taboos preserve a social status quo by exerting a strong conformist pressure. In addition, complicit forgetting is reinforced by the pressure of social taboos; it involves three forms of silence which mutually reinforce each other:

– defensive silence on the part of the perpetrators

– symptomatic silence on the part of the victims and

– complicit silence on the part of society.

When these three forms of silence reinforce each other, crimes can remain concealed for a long time. Nothing will really change as long as the victims are the only ones ready to break their silence and to claim their rights. It is the collective will of society alone which can change the situation and turn the tables. Only then will the testimony of the witnesses be heard and supported by the public media. In a similar way a change of values connected with the introduction of a new political notion of human rights in the 1980s created a new sensibility for the suffering of the victims of such traumatic histories of violence like the Holocaust, slavery, colonialism and dictatorships. After this global change of orientation, the response of the population was transformed from a protection shield for the perpetrators to a sounding board for the victims.

 

6. Constructive forgetting – tabula rasa for a new political biographical beginning

But forgetting is ambivalent and we must not forget its merits. Among those who The German poet Bertolt Brecht who wrote a poem “In Praise of Forgetting”. It ends with the following lines:

The weakness of memory is the source of human strentgh

(Die Schwäche des Gedächtnisses Verleiht den Menschen Stärke. )[23]

How otherwise could humans, bent down by experience and suffering as they are, ever find the courage to begin anew and to fight their daily battles against repressive conditions? Friedrich Nietzsche was also convinced that without forgetting, humans were unable to live a happy life and to face the challenge of the future: “Cheerfulness, a good conscience, the happy deed, trust in what is to come – all of this depends in the individual as in the nation on a clear line dividing the ordered and clear from the intransparent and dark.”[24] In contrast to repressive forgetting, which supports and maintains power, there is also a hopeful and constructive type of forgetting which supports a break and lays the ground for a new beginning. We can observe that in states that have undergone a political change, many things are speedily forgotten. The demolition of Lenin Statues and the changing of street names after the fall of the Berlin Wall are notorious examples. After the collapse of the GDR, history teachers asked their pupils to tear whole chapters form their textbooks in a spectacular collective act of organized forgetting. Jana Simon recalled such a scene of creating a tabula rasa in her memory novel:

“There is no place where they could retrace their childhood. Most of the clubs of their youth were closed, some of them, even the PW was burnt down, the streets had new names, as well as the schools. The furniture in their parents’ apartments had been exchanged, their houses were renovated, the products of their childhood (…) it was all gone. Their old schoolbooks lay in a heap besides the dustbins, books about the history of the proletariat parts of which they had had to memorize. The ‘rooms of tradition’ in their schools, the ‘groves of honor’, in which the senseless pledges of allegiance to the flag had taken place, all disappeared in memory.”[25]

… or, rather, in the great pit which the creation of a new state opens up for all that is old, to pick up Emerson’s phrase quoted above. In this case, however, we are dealing with a different form of forgetting; it is not caused by the driving force of modern technical innovation (Nr. 1), or instigated by a desire to efface traces in order to escape accountability (Nr. 5); rather, this form of forgetting is created by the strong desire to start over and to effectively adapt to new conditions.

In a recent book on forgetting Christian Meier reminded his readers of this positive and empowering quality of forgetting. He referred to historical cases when after civil wars forgetting was imposed as a means of ending wars and overcoming traumatic violence.[26] With his book he wanted to question a conventional argument that poses remembering as inherently beneficial. But in fact the opposite is closer to the truth, Meier argues, as remembering can perpetuate destructive energies by maintaining hatred and revenge, while forgetting can put an end to conflict and thus appease opposing parties. While it does not possess the power to prescribe individual remembering or forgetting, the state can pass laws that punish public discourse which re-opens old wounds by mobilizing old resentments and aggressions. Such laws of forgetting were frequently passed to end civil wars; examples for this practice include the Athenian polis after the Peleponnesian War, the edict of Nantes in 1598 and in the peace treaty of Münster-Osnabrück in 1648. In these cases, legislation imposing forgetting indeed promoted a political and social integration. The most recent example named by Meier is the First World War, which the Germans remembered much too accurately and persistently. This memory was in fact used to fuel the mobilization of Germans for the Second World War. After 1945 it was the weakness of their memory that gave the Germans that had survived the war the strength to start over. The therapy of forgetting was also applied by the former allies to overcome past hatred and to lay the foundation for a new Europe. Here is Winston Churchill’s plea for forgetting that he made in a speech in Zurich in 1946:

“We must all turn our backs upon the horrors of the past.  We must look to the future. We cannot afford to drag forward across the years that are to come the hatreds and revenges, which have sprung from the injuries of the past. If Europe is to be saved from infinite misery, and indeed from final doom, there must be an act of faith in the European family and an act of oblivion against all the crimes and follies of the past.”[27]

 

7. Therapeutic forgetting – leaving the burden of the past behind

Over the last three decades, constructive forgetting has been rivaled by a new positive form of forgetting, which I call ‘therapeutic forgetting’. On a global scale people could make the experience that traumatic pasts do not simply disappear but return and claim attention, recognition, restitution and remembrance. Forgetting, in this case, was replaced by new efforts at remembering as the preferred strategy.[28]  But, as I want to show, this form of remembering is also connected to forgetting and perhaps even directed towards it.

Therapeutic or transitional ‘remembering in order to forget’ is not a new discovery in Western culture. In the ritual framework of Christian confession, for instance, remembering is the gateway to forgetting: sins have first to be articulated and listed before they can be erased through the absolution of the priest. A similar logic is at work in the artistic concept of ‘catharsis’: through the re-presentation of a painful event on stage, a traumatic past can be collectively re-lived and overcome. According to the theory of Aristotle, the group that undergoes such a process is purged through this shared experience. Forgetting through remembering is essentially also the goal of Freudian psychotherapy: a painful past has to be raised to the level of language and consciousness to enable the patient to move forward and leave that past behind. This was also the aim of staging remembering in South Africa. The Truth and Reconciliation Commission designed by Bishop Tutu and Alex Boraine created a new form of public ritual, which combined features of the tribunal, the cathartic drama and the Christian confession. In these public rituals a traumatic event had to be publicly narrated and shared; the victim had to relate his or her experience, which had to be witnessed and acknowledged by the perpetrator before it could be erased from social memory.

 

Postscriptum

I started this survey with the observation of a basic asymmetry: forgetting, we had assumed, is always stronger than remembering because there is no ‘automatic mode of remembering’, which is the reason why ‘the greatest part’ of a former present is always ‘lost’. We had assumed that forgetting does its work silently and automatically, like a servant who is invisible, always on duty and doesn’t need to be paid. We had assumed that forgetting does its work silently and automatically, like a servant who is invisible, always on duty and doesn’t need to be paid. Recently, however, we had a wake up call, reminding us that in the Internet, we can no longer rely on ‘automatic forgetting’. The alarm came about with a judgment of the European Court in May 2014 enforcing ‘a right to be forgotten’, thus answering the demand of individuals to be protected against incriminating personal information by deleting it in the collective memory of the Internet. This new form of legislation made manifest that our new digital technology of writing, storing and circulating has overturned deeply rooted premises of our culture. One commenter has written: „Since the beginning of human history forgetting was the rule and remembering the exception. (…) Due to the invention and dissemination of digital technology forgetting must today be considered as the exception while remembering has become the rule.”[29] Until recently, it was far from clear whether forgetting or remembering took precedence in the information economy of the Internet. There were two theories competing with each other; the first being: „The net forgets nothing” and the second: „what is stored is forgotten“.[30] These contradictory approaches to the Internet teach us that we should not indulge in a technological determinism but rather seek to understand how the new media interact with human demands and their social, cultural and legal frames. The new legal frame answers a human demand in creating a personal protection shield relating to sensitive information that was hitherto within the reach of only very few and is now, in the virtual archive, publicly accessible and indiscriminately circulating. Generalizing, we may say that the Internet has introduced two dramatic changes into our economy of information, knowledge and communication. One is the function of easily storing, preserving and rendering searchable a hitherto unknown mass of data. Andrew Hoskins, specialist for digital memory and editor of the Journal Memory Studies is a proponent of the theory that the Internet forgets nothing (like Freud’s Unconscious, we may add). He has described this change as “the end of decay time”, which is to say that the Internet arrests the flow of time and suspends its erosive effects. The other dramatic change involves the indefinite enlarging of the public realm through radically new possibilities of access to and availability of information. Under these circumstances in which knowing has become a potential within (almost) everybody’s reach, not knowing has to be consciously produced under the auspices of legal supervision.

 

Conclusion

One thing should have become obvious in my overview, and that is the fact that remembering and forgetting cannot be neatly separated from each other. They interact in different ways, as I tried to show in the different forms of forgetting. Nor are remembering and forgetting inherently good or bad; their quality depends entirely on the uses to which they are put. Looking back at the various social frames and cultural contexts that I have analyzed, we may say that the first three forms of forgetting can be described as morally neutral; they are linked to the inbuilt temporal dynamics of consumer culture and technological innovation, to archival preservation and to the indispensible frames of selection in cognitive processes. Types 4 and 5 carry negative connotations; they show how forgetting is used as a weapon, as a means of maintaining power and as a protective shield for perpetrators. The last two forms of forgetting, on the other hand, have distinctly positive connotations. They represent two forms of marking a break in values and introducing a new beginning. The radical strategy of creating a tabula rasa, however, seems to be more and more given up in favor of a new form of rupture and forgetting. While in the first case, the page is simply turned over, in the second case, the page must be read before it is turned. Therapeutic forgetting thus invokes remembering as its first stage and is thus the result of a memory that has been reworked and processed. And one more general observation: forgetting is not necessarily final: much can be retrieved and reinterpreted after shorter or longer intervals. What can be recovered and used, however, always depends on cultural values inscribed into social frames of selection. As remembering can be re-inscribed into forgetting, remembering is always framed by forgetting. It was Francis Bacon who found a simple and striking image for this complex interaction: ‘When you carry the light into one corner, you darken the rest.’[31]

 



 [1]  Jan Philipp Reemtsma, Wozu Gedenkstätten? In: Zukunft der Erinnerung. Aus Politik und Zeitgeschichte, 25-26 (2010), 3-9; 3.
 [2]  Ralph Waldo Emerson, Circles, in: Selected Writings, ed. William H. Gilman, New York/ London (1965), 295-306; 296. See also: Paul Connerton, How Modernity Forgets, Cambridge (2009) and Aleida Assmann, Ist die Zeit aus den Fugen? Aufstieg und Niedergang des Zeitregimes der Moderne, Munich: Hanser (2013).
 [3] Konrad Paul Liessmann (ed.), Die Furie des Verschwindens. Über das Schicksal des Alten im Zeitalter des Neuen, Wien (2000).
 [4] Ralph Waldo Emerson, Circles, in: Selected Writings, ed. William H. Gilman, New York/ London (1965), 296.
  [5] Carl Sandburg, Grass, in: Luis Untermeyer (ed.), Modern American Poetry, New York (1919), 205.
 [6] W.G. Sebald, Austerlitz, München (2001), 35: “wie wenig wir festhalten können, was alles und wie viel ständig in Vergessenheit gerät, mit jedem ausgelöschten Leben, wie die Welt sich sozusagen von selber ausleert, indem die Geschichten, die an ungezählten Orten und Gegenständen haften, von niemandem je gehört, aufgezeichnet oder weitererzählt werden […].”
 [7] Friedrich Georg Jünger, Gedächtnis und Erinnerung, Frankfurt a.M. (1957), 16-17. Jünger distinguishes between two forms of forgetting: one that is connected with a irreversible loss, and one the is premised on potential recovery. (With Avishai Margalit we dan also refer to these two forms of fortetting as ‚blotting out’ and ‚covering up’). Jünger’s concept of  ‚preservative forgetting’ (Verwahrensvergessen) assumes for the forgotten a state of latency that makes possible its return into the conscious present.
 [8]  John Milton spoke of “an inward prompting which now grew daily upon me, that by labour and intent study (which I take to be my portion in this life) joyn’d with the strong propensity of nature, I might perhaps leave something so written to aftertimes, as they should not willingly let die.  The Reason of Church-Government urged against Prelating (1641), Book II, Introduction. xxxx
 [9]  „Objekte können unwillkürliche Erinnerungsvorgänge auslösen, aber vor allem können Funktionen des Erinnerns an Gegenstände und Artefakte gleichsam „ausgelagert“ oder „delegiert“ werden. Dies steigert in der Regel das indivi- duelle wie kollektive Erinnerungsvermögen erheblich, kann aber gleichzeitig zu neuen, erweiterten Formen des Vergessens führen. Zugleich stellen sich damit politische Fragen des Zugangs zu und der Verfügung über die tech- nischen Medien von Erinnern und Vergessen.“ Peter Wehling, Workshop „Vergessen im Internet“ Hamburg, 16./17.1.2014
 [10]  Friedrich Nietzsche, Vom Nutzen und Nachteil der Historie für das Leben, in: Werke in 3 Bänden, ed. Karl Schlechta, München (1962), vol. 1, xx.
 [11]  D.A. Norman, T. Shallice, Attention to Action. Willed and Automatic Control of Behaviour, in: M.S. Gazzaniga (ed.), Cognitive Neuroscience: a Reader, Oxford (2000), 376-390.
 [12]  Friedrich Nietzsche, Vom Nutzen und Nachteil der Historie für das Leben, in: Werke in 3 Bänden, ed. Karl Schlechta, München (1962), vol. 1, 214.
 [13]  Friedrich Nietzsche, Jenseits von Gut und Böse, in: Sämtliche Werke, ed. Giorgio Colli, Mazzino Montinari, Berlin/ New York (1988), vol. V, 86.
 [14]  Maurice Halbwachs, Das Gedächtnis und seine sozialen Rahmen (1925), Frankfurt a.M. (1992).
 [15] Karl Schlögel writes on forgetting in the context of scientific paradigm shifts: “When such a shift happens, one frame of interpretation has come to an end, is eroded, discarded, and replaced by another one, without leaving a trace of former contestations. One chapter is closed, another one is opened.” Im Raume lesen wir die Zeit. Über Zivilisationsgeschichte und Geopolitik, München (2003), 60.
 [16]  Robert G. Moeller, War Stories. The Search for a Usable Past in the Federal Republic of Germany, Berkeley (2001).
 [17]  Jan Assmann, Tod und Jenseits im Alten Ägypten, Munich: Beck (2001), 54.
 [18]  George Orwell, 1984, London (1949), 32.
 [19]  Jane Austen, Persuasion (1817), Mineola, New York: Dover Publications 1997, ch. 23, 174.
 [20]  On the ‘Endlösung’ as a state secret see Georges Didi-Huberman, Bilder trotz allem, München (2007), 35-51 and Dirk Rupnow, Vernichten und Erinnern. Spuren nationalsozialistischer Gedächtnispolitik, Göttingen (2005).
 [21]  This group was referred to proverbially as ‚Braunschweiger’ and ‚U-Boote’ (going under cover). Norbert Frei, „Identitätswechsel, Die ‚Illegalen’ in der Nachkriegszeit“, in: Helmut König et al., Vertuschte Vergangenheit. Der Fall Sshwerte und die NS-Vergangenheit der deutschen Hochschulen, München 1997, 207-222.
 [22]  Tilman Jens, Vatermord. Wider einen Generalverdacht, Gütersloh (2010).
 [23] Bertolt Brecht, Lob der Vergesslichkeit, in: Die Gedichte von Bertolt Brecht in einem Band, Frankfurt a.M. (1999), xxxx.
 [24] Friedrich Nietzsche, Vom Nutzen und Nachteil der Historie für das Leben, in: Werke in drei Bänden, ed. Karl Schlechta, München (1962), vol. 1, 214
 [25] Jana Simon, Denn wir sind anders. Die Geschichte des Felix S., Berlin (2002), 47-48.
 [26] Christian Meier, Das Gebot zu vergessen und die Unabweisbarkeit des Erinnerns. Vom öffentlichen Umgang mit schlimmer Vergangenheit, München (2010).
 [27] Winston Churchill, Speech to the Academic Youth (1946), in: Randolph S. Churchill, ed., The Sinews of Peace. Post-War Speeches by Winston S. Churchill, London 1948, 200.
 [28]  „Wenn das Ziel darin besteht, der Macht der Vergangenheit zu entkommen, ist die Frage, ob das eher durch Vergessen oder durch Erinnern geschehen kann, noch ganz offen.“ (Helmut König 2008, S. 33)
 [29]  „Seit Beginn der Menschheitsgeschichte war das Vergessen für uns Menschen die Regel und das Erinnern die Ausnahme (…) Aufgrund der weiten Verbreitung digitaler Techniken ist das Vergessen heute zur Ausnahme und das Erinnern zur Regel geworden.“ (Viktor Mayer-Schönberger 2010, S.11)
 [30]  Weinrich Lethe 1997; Osten, Das Veloziferische 2004.
 [31] Francis Bacon, The Advancement of Leaning (1605), „To The King“ IV, 6, in: Francis Bacon, The Advancement of Learning and New Atlantis, London: Oxford University Press 1974, 33.

Museumnacht 2014

Het Verhalenlabyrint

1 November, 19-02 uur

Tickets uitsluitend via Museumnacht Amsterdam.

Castrum Peregrini betekent ‚burcht van de pelgrim’. Het was de schuilnaam van een onderduikadres in het centrum van Amsterdam. Een groep jongeren overleefde er met hulp van onbaatzuchtige vrienden. De kunstenares Gisèle  en de dichter Wolfgang Frommel leerden de jonge onderduikers hoe zij hun geestelijke vrijheid konden behouden door de kunsten.

IMG_1536Ook na de oorlog bleven deze groep en hun vrienden hun leven in het teken van de kunst voeren. Het verhaal van deze stille helden blijft Castrum Peregrini vertellen in hetzelfde huis, op dezelfde plek en met hedendaagse kunstenaars, om vrijheid, vriendschap en cultuur te blijven borgen in de maatschappij waarin we leven. De huidige generatie bewoners wil daarom het historisch onderduikadres en de salons van de kunstenares Gisèle toegankelijk maken voor het publiek.

Tijdens de Museumnacht kun je een route door het huis lopen en er kunstenaars ontmoeten die vandaag met deze plek en zijn rijke geschiedenis werken en gezamenlijk met hen verassende verhalen ontdekken.

 

Knipsel

1          Ingang

2          Schuif aan tafel met Gable Roelofsen en Teresien Da Silva

3          Bezoek T. Martinus and join his performance Muscle Memory

4          Sightlines een film van Marijn Bax.
………..De maker gaat in gesprek met het publiek.

5          Drie vragen op de Argo met Janina Pigaht

6          Filmfragmenten van Gisèle

7          Amie Dicke toont important-souvnirs (vanaf 22 uur)

8          Tentoonstelling In Search of Lost Time.
…………De curator Ronit Eden spreekt met kunstenaars.

9          Bar en Uitgang

 

Castrum-Peregrini

 

Trial in Pictures

140926_CP_banner_participation_on_trial_160x160px

Fotografe Marijn Bax  heeft Participation on Trial gevolgd. Het is een prachtige visuele registratie geworden. Ook de filmregistratie zullen we hier in de toekomst gaan delen.

The Court Artists’ View

140926_CP_banner_participation_on_trial_160x160pxFloris Sollveld by Marijn Bax

 

 

Court artist Floris Solleveld combines a sharp analysis, with a dry registration of what he observed during 10 Octobers Participation on Trial.

 

Memory Machine

140906_CP_beeldmerk_Memory_Machine_met_naam_en_ondertitel_alt

A series of exhibitions, debates, performances & publications on cultural memory & identity, initiated by Castrum Peregrini

 

For the next two years together with many partners from Amsterdam and abroad we want to look at how memory works: private memory and collective memory. We want to look at how memory shapes our culture and our identity and what mechanisms are there to discover when it comes to constructing and deconstructing, using and abusing collective memory and identity. After the year programmes about Freedom (2012) and Friendship (2013) this seems for us a logical next step in exploring the core values of Castrum Peregrini. The history of Castrum Peregrini as a hiding place during World War II and it’s reality since was defined by freedom, friendship and culture. Back then it was a safe house for youngsters that found shelter in a group of friends, constructing a shield of poetry and art that protected them,- not an iron dome but a culture dome so to speak. Gisèle, who organised the shelter and founded Castrum Peregrini, was herself an artist. She died here in her studio last year at the age of a hundred years as the last one of this group. Our house is her visual diary. To us, the current generation taking care of this place, it is obvious that the war in Europe may be over, but that the enemy of culture and the human simply keeps shape shifting. That is why we see memory not as static and dead, but as a living and volatile matter.

Please find the overview of activities in our agenda or on the Memory Machine Facebook Page

 

Partners

.
Come

Herman van Bostelen

KNAW

Genootschap Nederland Duitsland

Het Geluid Maastricht

Goethe Institut

TimeCase

Silent Heroes

Museumnacht Amsterdam

Universiteit Utrecht

Jüdisches Museum Hohenems

Ronit Eden

Vincent van Velzen

Reli Avrahami

Prince Claus Fund

Fonds Cultuurparticipatie

Hard//Hoofd

Arti et Amicitiae

De Appel

 

Financially supported by

Mondriaan Fonds

Amsterdams Fonds voor de Kunst

Stichting Democratie en Media

KUNSTENISRAËL

Israeli Embassy

 

Memory Machine: Aleida Assmann

AA

1 oktober 2014, 20 uur

Aleida Assmann: Forms of Forgetting

Een samenwerking van de Genootschap Nederland Duitsland, Koninklijk Nederlandse Academie van Wetenschappen (KNAW) en Castrum Peregrini.

In het kader van haar jaarthema memory machine. organiseert stichting Castrum Peregrini lezingen waarin toonaangevende internationale denkers over collectieve herinnering en identiteit spreken. Op 1 oktober vindt de eerste aflevering plaats.

AADe KNAW heeft de Dr. A.H. Heinekenprijs voor Historische Wetenschap 2014 toegekend aan professor Aleida Assmann, hoogleraar Engelse literatuur aan de Universiteit van Konstanz (Duitsland). Prof. Assmann krijgt de prijs voor haar groot, baanbrekend aandeel in het onderzoek naar het ‘culturele geheugen’ van diverse menselijke samenlevingen. Prof. Assmann zal, naar aanleiding van deze onderscheiding,  haar publiekslezing houden bij Castrum Peregrini.

  “ Remembering and forgetting are not necessarily polar opposites; more often than not they are mutually dependent and linked to each other in a dynamic relation. Though it may seem counter-intuitive that forgetting can be willfully achieved through intentional actions, it is an important factor in social dynamics, political processes and cultural practices. The lecture will analyze various form and functions of forgetting in their socio-cultural contexts. It will also ask the question whether the Internet age has introduced a new media situation that has radically changed the ecology of remembering and forgetting.” Aleida Assman:

De tekst van deze lezing is hier gepubliceerd.

De foto’s hieronder (door Adrienne Norman) geven een indruk van het samenzijn voorafgaand aan het publieke gedeelte en de lezing in de tentoonstelling In Search of Lost Time.

Memory Machine: In Search of Lost Time

140907_CP_uitnodiging_In_search_of_lost_times_def

Exhibition

19 September – 1 November

Thursday  – Sunday, 14-18 hrs

 

* Vernissage

Friday  19 September  2014
Doors open 17:00

Opening words by Theu Boermans, 19 hrs

A group exhibition of visual dairies with works of:

  • Adrian Melis  CUES
  • Armando NLDE
  • Donna Kuhn US
  • Emma Rendel  SE
  • Gigi Scaria IN
  • HF van Steensel  NL
  • Ilya Rabinovich MDNL
  • Jakob Roepke DE
  • Nan Goldin USFR
  • Peter Goldschmidt DENL
  • Raed Yassin LB
  • Ronit Porat IL
  • Servet Kocyigit TRNL
  • Yuri Rosmani NL

 

Curator:  Ronit Eden

Castrum Peregrini,  Herengracht 401, 1017 BP Amsterdam

Guided tours with curator every Saturday 16 hrs; Please subscribe for the tours at mail@castrumperegrini.nl

Artist in Residence

Ronit Porat

Summer 2014 Ronit Porat was Artist in Residence at Castrum Peregrini. After a first visit to the house and especially the hiding place in spring 2104 she now (August/September 2014) researches the space as a detective in a crime scene combining her own strongly biographical visual repertoire with the found footage and her research of the stories and witnesses of Castrum Peregrini’s  clandestine community.

The outcome of her research and her residency will result in a work shown during the group exhibition In Search of Lost Time that will open on 19 September.

Please find more about the artist here:  http://www.re-title.com/artists/ronit-porat.asp

rp7rp6rp5rp4rp2rp1

 

 

The photographs are stills from film material by Janina Pigaht who works on a documentary on Castrum Peregrini. Camera: Ernst Herstel.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

The residency of Ronit Porat has been made possible through the financial support of the Embassy of Israel and Kunst en Israel

Logo+text ENG

Knipsel

 

Participation on Trial

ParticpationOnTrial..

Please click here for the

detailed programme of

Participation on Trial

and practical information.

 

This autumn Castrum Peregrini will host a two-day international conference on participatory art. The aim of the conference is to unfold the complex ethical and philosophical issues that surround participatory art projects, and to encourage the audience to form an opinion and determine their own position. Participants include Mieke Bal (cultural theorist and critic), Ruth Noack (curator and writer), Henk Oosterling (philosopher), Chrissie Tiller
(Programme Convenor at Goldsmiths College), Nina Folkersma and many others.

juryThe first day of the conference, Friday October 10, will be an enacted court case. During this public court hearing questions around participatory art will be addressed in a polemic manner. All speakers and participants get a specific role: as judge, prosecutor, lawyer, witness or external expert. Taking up these roles they will discuss all the arguments in a playful but serious manner.

CheikhDjili_STUDIO200The second day, Saturday October 11, will focus on the practice of participation: how to do it? Which approach works and which does not? The toolkit  that was developed in the TimeCase project will be launched and some inspiring case studies will be presented and discussed.

We hope to welcome you on both days. Please mark the dates October 10 and 11 in your calender. The full programme will be published very soon on www.castrumperegrini.org.

If you do not want to wait any longer and be immediately assured of a ticket, please register at mail@castrumperegrini.nl.

Yours sincerly,

Nina Folkersma (curator and keynote speaker)
Michael Defuster and Lars Ebert (Castrum Peregrini)
Jan Jaap Knol (Fonds voor Cultuurparticipatie)
and partners
Barbara Honrath and Joachim Umlauf, Goethe Institut
Thera Jonker and Nelly van der Geest, Utrecht School of Arts

 

Participation on Trial is organised by Castrum Peregrini in close collaboration with curator Nina Folkersma and in cooperation with the Fonds Voor Cultuurparticipatie, Goethe Institut, Utrecht School of Arts, and Rietveld Academie Amsterdam; in the framework of the Erasmus project TimeCase. 

 

logo36c3f8f3-581f-47c0-8c0a-81e003d94e81_HKU_logo590 Print GI_Logo_vertical_green_sRGB

 

 

participate!

The final publication of our EU project TimeCase -Memory in Action is out and online.
.

participate!

will also be launched as a print publication during the projects final conference in Amsterdam, Participation on Trial, 10-11 October 2014.

 

Ontsluiting Historische Ruimtes

Het huis en de geschiedenis van Castrum Peregrini wordt steeds verder ontsloten. Vele initiatieven hiervoor zijn al gelanceerd. Het volgende framing paper van Michael Defuster schetst in grove lijnen de geschiedenis van Castrum Peregrini en het veld waarin toekomstig onderzoek het conserveren maar ook het inhoudelijke en fysieke ontsluiten moet onderbouwen.

 

Ruimtes en objecten

Het 17de eeuwse pand Herengracht 401 is in het begin van de 20ste eeuw grondig verbouwd waarbij van twee panden één geheel werd gemaakt. Het oorspronkelijke interieur is daarbij niet behouden gebleven. Over alle verdiepingen werd een opening in de scheidingsmuur gemaakt en een liftschacht werd gebouwd, echter, zonder lift. Die kwam er pas in de jaren vijftig.

Gisèle van Waterschoot van der Gracht huurde in 1940 de derde etage. Hier leefde ze vanaf 1942 tot het einde van de oorlog met de Duitse dichter Wolfgang Frommel en diens Joods Duitse pupillen Claus Bock en Buri Wongtschowski. Tijdens de oorlog doken er ook andere personen onder, zij het tijdelijk.

Na de oorlog kon Gisèle enkele etages erbij huren tot ze, geholpen door haar welgestelde ouders, het hele pand kon kopen. In de jaren vijftig betrok ze met Arnold d’ Ailly  de vierde en vijfde etage. De tweede etage diende als gemeenschappelijke keuken. Wolfgang Frommel trok in de oorspronkelijke onderduiketage op de derde verdieping en bleef er tot zijn dood in 1986 wonen. Claus Bock vestigde zich in 1987 in het inmiddels aangekochte aanpalende pand Beulingstraat 8-10.

De tweede, derde, vierde en vijfde etage zijn nagenoeg onveranderd gebleven sinds Gisèle ze achtereenvolgens verwierf, inrichtte en er gebruik ging van maken. Doordat ze op verschillende tijden zijn verbouwd en ingericht, ademen de verdiepingen telkens een andere sfeer uit. Gisèle meubileerde de etages met een grote hoeveelheid meubelen, objecten en kunstwerken van haarzelf en anderen. De meubelen zijn gedeeltelijk via haar ouders verworven, zowel van haar moeders Oostenrijkse als van haar vaders Nederlandse kant. Het meubilair van de onderduiketage is voor een groot deel afkomstig van de familie Joep Nicholas, die vóór WOII emigreerde naar de USA. Wolfgang Frommel verzamelde in de onderduiketage een grote bibliotheek met voornamelijk Duitse literatuur.

Gisèle gebruikte de ruimtes en inrichtingen deels als zelfrepresentatie. De objecten dienden als gematerialiseerd dagboek van haar eigen leven: haar afkomst, de personen in haar leven, haar kunst, haar fascinatie met vormen uit de natuur en haar reizen, waarvan ze diverse voorwerpen meebracht… Bij het doorlopen van de ruimtes wordt een bezoeker overspoeld door een veelheid van objecten, die allen een eigen verhaal lijken te vertellen, maar gezamenlijk het veelzijdige leven van Gisèle uitbeelden.

In 1981 kon Gisèle het naburige pand in de Beulingstraat kopen waar ze voor zichzelf een groot atelier inrichtte en waar haar eigen kunst, haar liefde voor het Griekse eiland Paros en haar fascinatie voor vormen uit de natuur op een schitterende manier samenkomen.

 

Mensen en verhalen

Gisèle en Wolfgang Frommel hadden beiden een uitgebreid netwerk in de Nederlandse en Europese intelligentsia. Daarvan zijn veelvuldige sporen terug te vinden in het huis: de archieven, de publicaties, boeken, kunstwerken en objecten.

Deze collectie vertelt verschillende verhalen die intens met elkaar verweven zijn en gemakshalve maar niet helemaal correct het Castrum Peregrini verhaal genoemd kan worden. Dit Castrum Peregrini verhaal heeft enkele hoofdlijnen: de levenswandel van respectievelijk Gisèle en Wolfgang Frommel. Zeker in het geval van Gisèle loopt die niet noodzakelijkerwijze altijd samen met het Castrum Peregrini verhaal.

 

Periodes en ontwikkelingen

De levensverhalen van Gisèle en Wolfgang kennen verschillende periodes, die vanaf hun eerste ontmoeting in 1941 grotendeels en letterlijk onder een gemeenschappelijk dak (Herengracht 401) zich ontwikkelen. Gisèle is dan 28 en Wolfgang 38 jaar oud. Beiden zijn opgegroeid in het buitenland, maar maken toch deel uit van een uitgebreid netwerk van Nederlandse intelligentsia, waar ze elkaar dan ook ontmoeten (bij Adriaan Roland Holst).

Gisèle nodigt Wolfgang uit om zijn Joodse pupillen onder te laten duiken in haar appartementje op de Herengracht. Hieruit ontstaat na de oorlog het Castrum Peregrini. Sociaal gezien delen ze een woongemeenschap van personen die jonger zijn dan henzelf, en waarvan ze de onbetwiste founding father en mother zijn. Deze gemeenschap is het eigenlijke Castrum Peregrini. Daarin vervullen ze elk een eigen rol.

Wolfgang Frommel ontwikkelt zich tot een spiritueel leider die met het tijdschrift Castrum Peregrini en  een geritualiseerde (mannelijke) vriendenkring een eigen wereld creëert. Deze spirituele wereld is voornamelijk geënt op het gedachtengoed van de Duitse dichter Stefan George. Gedurende zijn actieve leven reist Wolfgang een groot gedeelte van het jaar door Europa rond, om vrienden en (potentiële) auteurs voor het tijdschrift te bezoeken. Dit leidt tot een zeer uitgebreid en geëngageerd netwerk.

Gisèle neemt in de wederopbouwperiode na de oorlog de draad weer op als glazenier en toegepaste kunstenaar. Ze blijft Wolfgang Frommel en het Castrum Peregrini ondersteunen door onderdak te bieden en financieel bij te springen. Dat is ze tot haar einde in 2013 toe blijven doen. In de jaren vijftig ontmoet ze Arnold d’ Ailly, die dan burgemeester van Amsterdam is. In 1958 treden ze in het huwelijk en komt Arnold wonen op Herengracht 401. Gisèle gaat zich meer en meer richten op louter schilderkunst. Begin jaren zestig restaureren ze samen een kloostertje op het Griekse eiland Paros. Arnold sterft in 1967. Tot 1980 verblijft Gisèle de helft van het jaar op Paros. Vanaf 1982 blijft ze onafgebroken wonen in het pand Herengracht 40, dat in 1981 is uitgebreid met het aanpalende pand Beulingstraat 8 & 10. Ook Gisèle onderhoudt door veelvuldig reizen haar uitgebreid netwerk, dat ze, net zoals bij Wolfgang, op een elegante en onnavolgbare manier weet te instrumentaliseren voor haar diverse (kunst-)projecten (bvb. Weverij De Uil). Net als bij Wolfgang speelt haar persoonlijke interesses in de mensen die ze kiest hierin een grote rol.

In de Herengracht 401 zelf wonen decennia lang jonge mensen die zowel ingezet worden voor de uitgeverij als voor het huishouden. Afgezien van enkele constanten (Manuel Goldschmidt) verandert deze woongemeenschap voortdurend van samenstelling. Onder het min of meer welwillend oog van Wolfgang en Gisèle krijgt deze gemeenschap een eigen dynamiek en maakt ze een eigen ontwikkeling door. Dit wordt versterkt door de formele aspecten die eigen zijn aan de uitgeverij Castrum Peregrini en vanaf 1957 door de oprichting van de stichting Castrum Peregrini. In de decennia die daarop volgen wordt Castrum Peregrini langzaamaan een instituut dat voornamelijk in het buitenland een zeker aanzien geniet. De missie van de stichting en uitgeverij richt zich grotendeels op de Duitse dichter Stefan George. Gisèle is het met deze eenzijdige oriëntering niet altijd eens, maar blijft toch trouw aan het geheel.

Na de dood van Wolfgang in 1986 valt zijn vriendenkring uit elkaar in elkaar beconcurrerende vriendengroepjes. Ondanks, of beter gezegd, juist door de vastberadenheid waarmee maatschappelijke ontwikkelingen buiten de deur worden gehouden in de jaren die volgen, raakt de relevantie van met name de uitgeverij sluipenderwijs zoek. Buiten Gisèle dan, is de oud geworden oorlogsgeneratie niet van plan zich aan te passen aan de uitdagingen van de onstuitbare maatschappelijke veranderingen. Dit leidt tot generatieconflicten binnen Castrum Peregrini.

Pas in 2008, na het overlijden van de laatste onderduiker, kan een nieuw beginpunt worden gecreëerd: de uitgeverij wordt uitbesteed bij een Duitse uitgever en in Amsterdam wordt Castrum Peregrini een activiteitenorganisatie die haar kernwaarden ent op de waarden van haar ontstaansperiode: m.n. haar onderduikgeschiedenis in WOII. De aansluiting met het maatschappelijke discours wordt opnieuw gevonden, nieuwe creatieve netwerken worden aangeboord, nieuwe energieën revitaliseren Castrum Peregrini, dat intussen meer dan 65 jaar bestaat. En last but not least, een vernieuwde woongemeenschap zet Gisèle’ s en Wolfgangs traditie verder. De inmiddels hoogbejaarde Gisèle laat bij verschillende gelegenheden duidelijk merken blij te zijn dat ze deze ontwikkeling nog mee mag maken. In mei 2013 sterft ze in volle harmonie in haar atelier, haar eigen gecreëerde paradijs, omringd door haar jonge vrienden en haar dierbare objecten die aan haar geleefde leven herinneren.

Een huis als muze

Een samwenwerking

tussen Amie Dicke

en Castrum Peregrini.

Nov 2013- Nov 2014
.

IMG_5117Amie Dicke:

When I first saw the scribble saying ’DO NOT TOUCH~ I am sorting important souvnirs’ on top of an untouched pile of papers, this message perfectly described my own observations at Castrum Peregrini. The note was one of the many small personal reminders from the studio of artist Gisèle (1912-2013), which she wrote down to organize her daily life in the house she eventually lived in for seventy years.

I found more important souvenirs, not only on top of or under her piles, but in the margins of her (hand)writings and on the back of old photos and other images and objects. Even in the unwritten or not used paper, I found a story of the unmade.

The more I visit the house the more I see it extending beyond its own walls. I see patterns and relations. I wonder where the images, the pictures I took, actually have their origin. To what extend do the house and the ‘important souvnirs’ affect my perception? Please follow my ongoing exploration at:

http://important-souvnirs.com/

.

Thanks to Sander Tiedema, Rafe Copeland, Lorenzo De Rita, Gisèle d’Ailly van Waterschoot van der Gracht, Michael Defuster, Lars Ebert, Frans Damman and the Mondriaan Fund.

Silent Heroes

Silent Heroes

The Learning Partnerships looks back on an exciting and rich first half of the project.

The project has made a vibrant start during its first partners meeting in Amsterdam during which the partners have agreed on a structure, method, division of tasks and timeline to approach the project objectives to

  • be a platform for exchange on the subject of hiding in museum-, memory- and learning environment
  • find and map stories of hiding and build a website that makes them accessible for a broader public.
  • give the visitor/learner an active role in finding stories of hiding, making use of online tools and the possibilities of smart-phone recordings

 

Dates for the immediate next meetings have been agreed as well as the order of meetings. Most meetings will be realized in the second half of the project due to the local agendas that made it more useful for the project to tap into activities of the partners that provide the project with promising synergies.

  • Amsterdam, 8-10 December 2013, realized
  • Hohenems, 15-17 June 2014, realized
  • Berlin, 20-23 September 2014, confirmed
  • Warsaw, February 2016, to be decided
  • Hungary, April 2016, to be decided
  • Amsterdam, June 2016, to be decided

 

To achieve the projects aims the partners have agreed

–          that each partner will be hosting a meeting presents their local museum/educational works concerning silent heroes, and the gaps that they have identified in their context. Both the realized projects/permanent offers as well as the discussion around the development of the respective organization will be addressed with a discussion and written feedback of all partners. To this end a questionnaire has been designed, that will be used by all staff and learners at all meetings. The questionnaires will be collected by the co-ordinator and the outcomes will be made available on the website; the partners strive for comparability in order to draw conclusions for all partners to inform their organizational development plans.

–          to  build, design, develop and maintain a project website that features their local online resources already available, the partners case studies with the respective peer feedback gathered from the staff and learners and the findings and personal narratives connected with the local reality of the partners and their audience working with silent heroes. This may also require to assign a researcher with analyzing and drawing conclusions from the comparative overview in conjunction with the steering group member’s, which are the representatives of the partner organizations.

The consortium has realized that the material gathered and the research questions (questionnaire) applied are so exciting in terms of outcomes that already after the first two meetings it has become clear that partners want to sustain the outcomes, that especially the website will be developed with a longer term perspective and that it will be extended by other European countries that had a history of hiding during the 2nd world war.

The time planning foresees to have a first draft of the website presented during the next partners meeting in Berlin in September. During the meeting in Warsaw the content to date should be up and online.

In terms of content we have looked at stories of hiding in Amsterdam and those of the silent heroes that helped Jews cross the Austrian/German-Swiss boarder in Hohenems. Examples reach from museum exhibitions (Anne Frank House) to the role of contemporary art in dealing with the past (Castrum Peregrini), the medium of film (Akte Grüninger) and walking tours (Hohenems). In the second part we look ahead to see how Berlin addressed the silent heroes from the German perspective, to Warsaw how a newly established Museum deals with the diversity of viewpoints (with a special focus on the righteous among the nations) and to Hungary with respect to civil society initiatives and walking tours as educational means. Finally in Amsterdam, the Jewish History Museum will conclude the partner meetings with scrutinizing their new initiative ‘Jewish quarter/holocaust memorial’.

All partners are highly motivated and the consortium looks forward to a dynamic and fruitful further learning experience.

 

Questions for structuring each meeting, for looking at case studies and also for peer coaching feedback on cases presented and discussed:

 

1)    How are the roles of historic persons in the respective memory setting represented:

  1. hiders
  2. helpers
    i.    passive/silent
    ii.    active/heroic

2)    How are historic sources being used?

3)    How is the materiality of the place/space preserved?

  1. Conserved
  2. Reconstructed
  3. Deconstructed

4)    Is there a link with the current issues of societies?

  1. Are moral and ethical questions addressed?
  2. Are political questions raised?
  3. Is there space for a philosophical/artistic take on the past?

5)    Is the question of identity and image building addressed, especially how the image building has changed in the historic perception of the last 7 decades?

What is the distinct presentation approach, what is the (possibly unique) museological vision/concept and what part does (adult)education play in it?

Nieuwe Tussen-ruimten

nieuw2014-03-01-amie-and-charbel-exhibits-with-logose Tussen-ruimten

in Amsterdam

woensdag 12 maart, 20uur

Na verschillende interventies in verborgen stegen en andere onbenutte plekken in de binnenstad afgelopen zomer, duikt Tussen-ruimte vanaf 12 maart opnieuw op in Amsterdam. Kunstenaars Charbel-joseph H. Boutros en Amie Dicke presenteren ieder hun visie op Tussen-ruimte, met nieuw werk dat wordt geopend in Castrum Peregrini, lees verder voor meer informatie

 

presentatie Weten Vergeten – 13 mei

Weten Vergeten

Wetenschappelijke Proeverij

dinsdag 13 mei, 20uur

SIMULACRUM presenteert haar nieuwste nummer Weten Vergeten dat tot stand kwam in het kader van OUR MEMORY, MY IDENTITY.

logo simulacrumHistoricus en archivaris Kees Zandvliet, hoogleraar Geschiedenis UvA, vertelt over de keuzes die het Amsterdam Museum heeft gemaakt bij de tentoonstelling Amsterdam DNA. Met bijdrages van een aantal auteurs van dit nummer en met muziek!