Enkele persoonlijke gedachtes over het verleden en het heden van Castrum Peregrini

Door Michael Defuster

Februari / Maart 2018

Door publicaties in VN ben ik pijnlijk geconfronteerd met een deel van het verleden van de organisatie, die toen ik de leiding overnam in 1998, bestond uit een Duitstalige Exil Verlag. De slachtoffers uit het VN artikel komen dertig tot veertig jaar na dato naar buiten met hun verhaal, waarin enkele op jonge leeftijd seksueel misbruikt zijn door figuren uit de kring rondom Wolfgang Frommel en daar hun hele leven mee kampten. De berichten hebben mij diep getroffen en ik zal in mijn huidige rol als bestuurder van de stichting Castrum Peregrini doen wat nodig en wenselijk is om ruimte te bieden aan deze verhalen en om de slachtoffers bij te staan. Samen met mijn medebestuurders, Frans Damman en Lars Ebert, voel ik mij moreel verplicht er zorg voor te dragen dat dit verleden grondig onderzocht wordt. De omstandigheden waaronder deze misstanden hebben kunnen plaatsvinden dienen boven water te komen in al hun facetten, zodat er lering en waarheidsvinding uit getrokken kan worden voor het heden en de toekomst.

Omdat mijn naam in het artikel in VN genoemd wordt en ik zelf nog niet aan het woord ben geweest voel ik de behoefte enkele reflecties te delen over mijn verschillende rollen, mijn betrokkenheid door de jaren heen bij Castrum Peregrini en de keuzes die ik gemaakt heb. Ondanks mijn betrokkenheid bij Castrum Peregrini hadden noch ik, noch mijn medebestuurders enige notie van seksueel misbruik dat met Castrum Peregrini in verband wordt gebracht in het artikel van VN. Hopelijk levert dit schrijven een bijdrage aan de beeldvorming.

Mijn belevenis van Castrum Peregrini als vriend

Ik ben zelf in een enigszins rommelig maar liefdevol gezin van zes grootgebracht in België. Liefde betekent voor mij heel veel, zo niet alles. Mijn vriendschappelijke en liefdesrelaties heb ik waarschijnlijk daardoor alle ruimte kunnen geven om zich te ontwikkelen naar welke kant de andere ook maar behoefte had. Door deze laisser-faire houding kan ik bogen op een kleine maar fijne kring van vrienden en twee zeer volwassen en hechte liefdesrelaties.

Ikzelf deed bij Castrum Peregrini mijn entree tijdens de Oudejaarsavondontvangst in 1983 / 1984 bij Gisèle. Vanaf dat moment ontstond een bijzondere dertig jaar durende wederzijdse band tussen haar en mij die tot het einde van haar leven (2013) bleef bestaan.  In de laatste tien jaar van het leven van Gisèle vormde ik samen met Frans Damman en Lars Ebert een kleine familie, waarin wij haar verzorgd hebben. Voor mij was Gisèle de echte geest van het huis aan de Herengracht. Zo hebben ik, Frans en Lars dat ondervonden. Door het vertrouwde en existentiële samenzijn zijn wij diep door haar geïnspireerd geraakt.

Mijn relatie tot Castrum Peregrini verliep via mijn toenmalige Duitse vriend Wolf van Cassel (1946 – 1994), die als twintiger bij Castrum Peregrini terecht was gekomen en die ik in 1983 leerde kennen. Tot aan zijn dood onderhielden wij een liefdevolle relatie. In de tijd die we samenwoonden in een pand aan de Oudezijds Voorbrugwal was de Herengracht ver weg en speelde in mijn leven een minder belangrijke rol. Wolf, onze (kunstenaars-)vrienden en ik hadden daar onze eigen wereld waarin wederzijds respect en creativiteit een grote rol speelden. Ikzelf werkte overdag bij architectenbureaus en studeerde ’s avonds aan de Academie voor Bouwkunst van 1982 tot 1992. Deze jaren met Wolf zijn tot op de dag van vandaag een zeer waardevolle  herinnering voor mij.

Toen ik in 1984 voor het eerst met de Herengracht kennis maakte heerste er chaos: de invloed van de zieke Wolfgang Frommel was tanende en er was grote onenigheid en strijd binnen zijn vriendenkring over zijn geestelijke erfenis. Tussen de jonge mannen en vrouwen van de generatie die de dienst uitmaakten in de uitgeverij Castrum Peregrini, zoals Thomas Karlauf, Christiane Kuby, Wolf en anderen, heersten er ook talloze conflicten, die echter aan mij voorbijgingen, omdat ik in dat rustige huis aan de Oudezijds Voorburgwal woonde en leefde. De Herengracht had in die jaren een alles behalve fijne sfeer om in te vertoeven voor de jonge man van 26 die ik was, op zoek naar de zin van het leven. Gezien de krappe tijd die ik door de combinatie van studie en werk overhield was mijn keuze  tussen beide locaties snel gemaakt. Pas na de dood van Wolf in 1994 ben ik mij professioneel met Castrum Peregrini gaan bezighouden. Ik had toen – en heb nog steeds – de sterke behoefte het vele moois en wezenlijks dat in deze stichting aanwezig is kenbaar te maken en dienstbaar te stellen aan Amsterdam en aan de maatschappij.

Er bestaat een wezenlijk verschil tussen de ervaringen van de slachtoffers en vele andere oudgedienden die genoemd worden in het artikel van VN en mij. Ik heb namelijk voor Wolfgang Frommel nooit bewondering gevoeld; Ik heb nooit een gesprek met hem gehad, nooit lief of leed gedeeld. Voor mij was hij een dementerende man die op bed lag en dag en nacht verzorging nodig had. Voor de adoratie die om zijn persoon heerste heb ik nooit iets gevoeld. Dat past niet bij mijn natuur. Het door Frommel geadopteerde “Dichterstaat” concept van Stefan George vond ik ronduit idioot. De heftige ruzies na de dood van Wolfgang Frommel tussen de zichzelf vrienden noemende mannen en vrouwen, die daarbij elke positieve connotatie van vriendschap om zeep hielpen, heb ik altijd verworpen. 

Omdat ik in die periode kennelijk in staat was mijn eigen autonomie te bewaren, heb ik geen traumatische ervaringen overgehouden aan mijn contact destijds met Castrum Peregrini. Daarin speelde Gisèle een doorslaggevende rol. Wij spraken regelmatig af en zij was voor mij een baken van integriteit en on-compromitteerbaarheid. Ik genoot van de lichtheid die haar omgaf. Ze concentreerde zich op de uitdagingen van het leven en het positieve. Dat maakt haar verhaal en het huis aan de Herengracht zo bijzonder. Zij is voor mij een inspiratiebron en drijfveer geweest om in onze huidige culturele uitingen haar dan ook de plaats te geven die haar toekomt. De mannen die zij decennia lang onderdak heeft geboden, ook diegenen die zij ten tijde van de oorlog het leven redde, hebben haar dat, en dat is schokkend te constateren, niet gegund. De ondankbaarheid van de voormalige onderduikers en hun vrienden ten opzichte van Gisèle is schrijnend teleurstellend. Annet Mooij schrijft hierover uitgebreid in haar nog te verschijnen biografie, waarvoor wij het initiatief hebben genomen, en waarin ook de werkwijze van Frommel cum suis uitgebreid aan de orde zal komen.

Vanaf mijn aantreden als directeur in 1998 heb ik mij ingespannen om de organisatie voor te bereiden op de tijd na het toen nakende verscheiden van de oorlogsgeneratie. Gisèle bijvoorbeeld was toen al 86 jaar oud. Dit was geen gemakkelijke opgave, te midden van de redders en de geredden, met hun vele oorlogstrauma’s en ingesleten reactiepatronen. Pas na het overlijden in januari 2008 van Claus Bock, een van de onderduikers, was het ethisch mogelijk om definitief de structuren en mentaliteit van de organisatie te veranderen. Voordien dreef de organisatie op wat overgebleven was van de persoonlijkheid van Wolfgang Frommel, die een vriendenkring om hem heen had gebouwd die hem tot op de dag van vandaag verheerlijkt, zoals dat bij de Stichting Memoriaal en de Wolf van Cassel Stichting nog altijd het geval is. Deze persoonlijkheidscultus, gedragen door de gedichten en het gedachtengoed van de Duitse dichter Stefan George, vereist haast volledige loyaliteit, zelfs als dit de persoonlijke integriteit zou beschadigen. Dat was voor mij het moeilijkste aspect van de organisatie om te veranderen, maar waarvoor ik in de persoon van Gisèle een sterke natuurlijke medestander had. Ondanks alle eerdere pogingen tot marginalisatie had Gisèle een onaantastbare positie binnen Castrum Peregrini, niet in de laatste plaats vanwege de financiën. Ik wilde radicaal breken met dit verstikkende loyaliteitsmoeras en heb dat voor de goede verstaander heel duidelijk gedaan door Gisèle daar te plaatsen waar ze hoorde, namelijk in het middelpunt van Castrum Peregrini, in plaats van Wolfgang Frommel. Onze kernwaarden Vrijheid, Vriendschap en Cultuur zijn volledig op haar geënt. Was Gisèle er niet geweest dan schreef ik op dit moment niet deze tekst, want dan had Castrum Peregrini voor mij elke betekenis verloren en had ik het al lang vaarwel gezegd.

Mijn belevenis van Castrum Peregrini als medewerker en directeur-bestuurder

Toen midden jaren negentig Wolfgang Frommel’s vriendenkring definitief uit elkaar was gespat en de gemoederen tot bedaren kwamen, en Wolf na een lang ziekbed overleed, begon ik voor het eerst mij professioneel met de zaken van Castrum Peregrini bezig te houden. Toen betrof dat de uitgeverij. Manuel Goldschmidt en Claus Bock, die de leiding hadden over de uitgeverij waren beiden al over de zeventig toen hun gedroomde opvolger na enkele jaren vertrok in onmin. Eerder uit de behoefte hun eigen werkzaamheden stop te kunnen zetten dan uit overtuiging  benoemden ze mij als hun opvolger. Mijn relaties met hen waren eerder functioneel dan vriendschappelijk, op het einde zelfs afstandelijk en conflictueus. De conflicten die ontstonden hadden verschillende redenen. Voor hun wens om de loyaliteitsstructuren en de bijhorende wetmatigheden in stand te houden was ik niet ontvankelijk. Ik verzette ik mij vrij snel tegen hun obscurantistisch, claustrofobische wereldbeeld, die ik altijd als een gevolg van hun oorlogservaringen heb geduid. Manuel en Claus zagen mij als een bedreiging doordat ik het werk en de persoon van de dichter Stefan George als een anachronisme ervoer en zij hem juist als de dragende spil van de uitgeverij en stichting wilden behouden. George’s concept van de ‘Dichterstaat’, de bijna lachwekkend theatrale sublimatie van zijn homoseksualiteit en bovenal zijn visie dat kunst boven de mens staat, klopten niet met mijn overtuiging, met hoe ik vond dat de maatschappij zich na de Tweede Wereldoorlog had ontwikkeld en met het mensbeeld dat mij voor ogen stond. Deze overtuigingen had ik, hoe paradoxaal, juist te danken aan Castrum Peregrini, waarin voor mij  de waarden van Gisèle de maatstaf der dingen waren. En deze zijn juist niet op macht of dwang gebaseerd, maar op het bieden van inspiratie en het scheppen van een omgeving waarin creatieve en intellectuele mensen uitgenodigd worden zich te ontwikkelen en bij te dragen aan een betere, menswaardige wereld. Vandaar onze geuzennaam ‘Intellectual Playground’. In die zin zetten we háár werk verder, en absoluut niet dat van Wolfgang Frommel.

Ik ben een rechtszaak gaan voeren tegen de stichting Wolf van Cassel (Weesp), die de erfenissen van Wolfgang Frommel en Goldschmidt  beheert, om met name het archief van de stichting terug te krijgen, dat door Goldschmidt op dubieuze wijze uit de Herengracht was meegenomen en aan het Letterkundig Museum was overgedragen. Dit archief bevindt zich daar achter slot en grendel. Het bestuur van de Wolf van Cassel Stichting bepaalt wie er wat van mag inzien. Het ging mij erom openheid van dit archief voor nu en de toekomst te verwezenlijken. Immers, transparante, onafhankelijke geschiedschrijving vereist vrije toegang tot historische bronnen – en daarvoor heb ik gestreden. Deze geld verslindende juridische inspanningen, hebben tot mijn grote teleurstelling niet het gewenste resultaat opgeleverd. De trieste uitkomst is dat de erfgenamen hun geschiedenis beïnvloedende greep op de bewijslasten hebben weten te behouden. Daarnaast, minder relevant voor een correcte geschiedschrijving maar wel met grote symboolwerking, waren de verkoop van de Stefan George Bibliotheek, de uitbesteding van de uitgeverij aan Wallstein Verlag, – die nu kritisch wetenschappelijke publicaties over Stefan George en de Frommel kring publiceren -, en het afstoten van het logo ‘de roos’ dat stond voor de uitgeverij en de vriendenkring van het oude Castrum Peregrini. Dit embleem is nu overigens door de Wolf van Cassel stichting overgenomen.

Vervolgens kon ik, met anderen die zich ook aangesproken voelden, een nieuw mission statement formuleren, gebaseerd op de waarden en principes die ertoe hebben geleid dat Gisèle tijdens de nazi-bezetting met gevaar voor eigen leven jongeren jarenlang voor een gewisse dood of gruwelijk lot heeft behoed. We hebben ons bewust geconcentreerd op het oorlogsverleden, en de betekenis van Gisèle, die na de oorlog – zoals dat voor de rol van vrouwen tijdens de oorlog in algemeenheid het geval is – eenvoudigweg door mannen uit de geschiedenisboeken werd weggeschreven.  Uit ons recente programma ‘The Female Perspective’ blijkt hoe belangrijk wij het vinden dit aspect te belichten. Het moge iedereen duidelijk zijn: wij zetten Gisèle’s werk verder, niet dat van Wolfgang Frommel en consorten. Geen enkel rationeel denkend mens zal ons dat kwalijk nemen. Ten overvloede: dat neemt niet weg dat wij opheldering  over het verleden met daarin Wolfgang Frommels rol ten volle ondersteunen.

De rest moge duidelijk zijn. We maken aansprekende programma’s met diepgang waarin we het heden met de kernwaarden van het verleden verbinden en waarmee we willen voorkomen dat we een verstild, gemusealiseerd beeld van het verleden creëren. We hebben verschillende Europese projecten lopen en onderhouden samenwerkingsverbanden met  gerenommeerde instituties en universiteiten in binnen en buitenland. Bijna alle aspecten van de geschiedenis van Castrum Peregrini zijn voor meervoudige interpretatie vatbaar. Dat maakt het juist voor buitenstaanders, zoals kunstenaars en wetenschappers zo aansprekend. De hoofdpersonen waren destijds allemaal complexe persoonlijkheden met talloze lagen die tot de verbeelding spreken. Er komt heel veel samen in het huis aan de Herengracht; zowel waardevolle als verwerpelijke dingen.

De oude vriendenkring van Frommel heeft van meet af aan het huidige team van Castrum Peregrini als buitenstaander bestempeld. Wij kwamen alleen al in deze positie doordat wij hem nooit hebben gekend (vereerd) en omdat de generaties vóór ons teveel met hun eigen problemen en/of machtsaanspraken bezig waren. Geen van hen heeft ons ooit een helpende hand toegestoken om Castrum Peregrini een nieuw leven te geven. Integendeel, ondermijning ervan was ons deel. Tot op de dag van vandaag worden wij door die oude vrienden als ‘verraders’ gezien. Maar wij weten niet wat wij zouden hebben kunnen verraden aan een systeem dat in onze ogen compleet failliet was en waar wij ons niet mee wensten te associëren. Dit sluit juist niet uit dat wij met overtuiging openstaan voor oprechte pogingen van mensen die een minder goede ervaring hadden en in het voeren van een dialoog om in het reine te komen met het moeilijke deel van deze geschiedenis.

Hoe verder?

Voor haar voortreffelijke in 2015 verschenen boek over Andreas Burnier, raadpleegde Elizabeth Lockhorn ook onze archieven. Er is een kleine tekst van mij in haar boek opgenomen waarin ik de positie van het huidige Castrum Peregrini schets als buitenstaander van een verleden waarvan wij, het huidige directiebestuur, persoonlijk geen deel uitmaakten maar waarvoor wij wel een werkwijze hebben ontwikkeld om met het verleden om te gaan, door dit op te nemen in onze programmering en te koppelen aan hedendaagse thema’s. Het is ons niet raadzaam gebleken om ‘partij’ te kiezen in de strijd tussen diegenen die dit verleden als zeer positief hebben ervaren – zij vormen de meerderheid – en zij die hun ervaringen als traumatisch ervaren. Voor ons was en is dat een strijd die de betreffende generaties onderling zelf moesten uitvechten. Wij hebben een eigen stichting opgericht met eigen waarden en levensbeschouwingen. Wij, de huidige stichting Castrum Peregrini, leven met de slachtoffers mee, willen hen erkennen en betrachten volledige transparantie. Daarom steunen wij bijvoorbeeld onderzoek naar dat verleden. Daarvoor dient de hele geschiedenis van Castrum Peregrini als onderwerp genomen te worden. Wij zijn in onze pogingen om het verleden open te benaderen blij met iedere medestander. Wij zijn klein en beperkt in onze middelen en kunnen ieder steun gebruiken.

Al meerdere jaren, vanaf het verschijnen van Elisabeth Lockhorn’s boek en de te boek gestelde herinneringen aan Wolfgang Frommel van Joke Haverkorn (2013), zijn wij in onze programmering begonnen met actief ruimte te bieden aan het verwerken van het negatieve verleden van Castrum Peregrini: een colloquium (2013) waarin Joke Haverkorn’s boek centraal stond, een film over Herengracht 401 (2016), de kritische biografie van Gisèle door Annet Mooij (2018) e.a. Deze activiteiten zijn onlangs uitgebreid met een wetenschappelijke commissie die het verleden van Castrum Peregrini in de komende jaren zal onderzoeken.  Elke vorm van bijdrage – in de vorm van publicaties, evenementen, werkgroepen etc.. – zullen door ons worden geapprecieerd.

Het dubbelzinnige politiek verleden van Wolfgang Frommel is uit andere publicaties reeds langer bekend. Dit is door ons ook nooit ontkend. Het seksueel misbruik verhaal echter kwam als een schok. Hiervan wisten we niets, hadden we nog nooit over gehoord. De getroffenen hadden ook nooit met ons contact opgenomen. De eerste publicatie over pedofilie van Frank Ligtvoet op Huffington Post in februari 2017 was inhoudelijk en taalkundig moeilijk te begrijpen. Het artikel is na enkele weken van het internet gehaald. Toen volgde het online artikel bij VN in juli 2017 waarin het moeilijk was suggesties van feiten te scheiden. Sindsdien hebben wij wel vele gesprekken gevoerd met de getuigen die ons bekend zijn om opheldering te krijgen. Wij hebben moeten wachten tot de publicatie van Vrij Nederland op donderdag 22 februari jl. om de ware toedracht van alle gevallen te kennen, want ook op onze actieve navraag bij VN werd dat ons eerder onthouden.

Ik kan oprecht meevoelen met het lijden onder schuldgevoelens en met de fysieke en psychische pijn dat uitvoerig word beschreven in de artikelen. Dat is vreselijk. Ik geef toe dat ik het er moeilijk mee heb wanneer volwassenen hun eigen autonomie uit handen geven. Verwarrend en onduidelijk voor mij zijn de gevallen van Lodewijk (pseudoniem) en Paul Visser. Bij navraag over de laatste is overigens niemand binnen de oude Castrum Peregrini kring op de hoogte van zijn betrokkenheid bij de toenmalige vriendenkring. Niettemin zijn deze gevallen onverminderd schrijnend en verdienen ook alle medeleven en steun. Het is beschamend dat de plegers verbonden waren met de vriendenkring van Wolfgang Frommel. Het gaat echter te ver om te suggereren dat de kostschool Beverweerd, waar misbruik plaatsvond, in alle gevallen linea recta terug te voeren is op Castrum Peregrini. Mijns inziens moet hier zorgvuldigheid worden betracht. Wij hebben intussen contact opgenomen met het Genootschap der Vrienden (de Quackers in Nederland), die in het verleden van de school een vaste voet hadden in haar bestuur. Wij hadden met Lodewijk en Christiane Kuby afzonderlijk in februari 2018 een afspraak tot gesprek staan. Deze is echter op het laatste moment afgezegd. Wij kunnen ons voorstellen dat zij tijd nodig hebben en plannen het gesprek graag in zodra het voor hen zinvol is.

Wij gaan mogelijk samen met het Genootschap der Vrienden (Quackers), dat bij de kostschool betrokken was, beraden hoe en welke stappen wij zullen nemen om met slachtoffers in gesprek te komen. Het lijkt ons ook raadzaam dat slachtoffers zich voor begeleiding gaan richten aan de in Nederland opererende professionele instanties die echt onafhankelijk en professioneel zijn. Door professionals te betrekken kan misschien zelfs echt healing plaats vinden.

Tot slot, de contacten  met Frank Ligtvoet van de laatste maanden werden op afstand via email gevoerd. Wij willen hem graag spreken en hebben dat ook herhaaldelijk aangegeven. Wij respecteren evenwel zijn keuze om dat af te houden en hebben tegelijkertijd zijn vragen per e-mail, die overigens voornamelijk data gerelateerd waren, beantwoord voor zover ons dat mogelijk was. Niettemin lijkt ons een gesprek met hem momenteel het allerbelangrijkste en hopen dat hij aan onze vraag gehoor zal geven.