Ontsluiting Historische Ruimtes

Het huis en de geschiedenis van Castrum Peregrini wordt steeds verder ontsloten. Vele initiatieven hiervoor zijn al gelanceerd. Het volgende framing paper van Michael Defuster schetst in grove lijnen de geschiedenis van Castrum Peregrini en het veld waarin toekomstig onderzoek het conserveren maar ook het inhoudelijke en fysieke ontsluiten moet onderbouwen.

 

Ruimtes en objecten

Het 17de eeuwse pand Herengracht 401 is in het begin van de 20ste eeuw grondig verbouwd waarbij van twee panden één geheel werd gemaakt. Het oorspronkelijke interieur is daarbij niet behouden gebleven. Over alle verdiepingen werd een opening in de scheidingsmuur gemaakt en een liftschacht werd gebouwd, echter, zonder lift. Die kwam er pas in de jaren vijftig.

Gisèle van Waterschoot van der Gracht huurde in 1940 de derde etage. Hier leefde ze vanaf 1942 tot het einde van de oorlog met de Duitse dichter Wolfgang Frommel en diens Joods Duitse pupillen Claus Bock en Buri Wongtschowski. Tijdens de oorlog doken er ook andere personen onder, zij het tijdelijk.

Na de oorlog kon Gisèle enkele etages erbij huren tot ze, geholpen door haar welgestelde ouders, het hele pand kon kopen. In de jaren vijftig betrok ze met Arnold d’ Ailly  de vierde en vijfde etage. De tweede etage diende als gemeenschappelijke keuken. Wolfgang Frommel trok in de oorspronkelijke onderduiketage op de derde verdieping en bleef er tot zijn dood in 1986 wonen. Claus Bock vestigde zich in 1987 in het inmiddels aangekochte aanpalende pand Beulingstraat 8-10.

De tweede, derde, vierde en vijfde etage zijn nagenoeg onveranderd gebleven sinds Gisèle ze achtereenvolgens verwierf, inrichtte en er gebruik ging van maken. Doordat ze op verschillende tijden zijn verbouwd en ingericht, ademen de verdiepingen telkens een andere sfeer uit. Gisèle meubileerde de etages met een grote hoeveelheid meubelen, objecten en kunstwerken van haarzelf en anderen. De meubelen zijn gedeeltelijk via haar ouders verworven, zowel van haar moeders Oostenrijkse als van haar vaders Nederlandse kant. Het meubilair van de onderduiketage is voor een groot deel afkomstig van de familie Joep Nicholas, die vóór WOII emigreerde naar de USA. Wolfgang Frommel verzamelde in de onderduiketage een grote bibliotheek met voornamelijk Duitse literatuur.

Gisèle gebruikte de ruimtes en inrichtingen deels als zelfrepresentatie. De objecten dienden als gematerialiseerd dagboek van haar eigen leven: haar afkomst, de personen in haar leven, haar kunst, haar fascinatie met vormen uit de natuur en haar reizen, waarvan ze diverse voorwerpen meebracht… Bij het doorlopen van de ruimtes wordt een bezoeker overspoeld door een veelheid van objecten, die allen een eigen verhaal lijken te vertellen, maar gezamenlijk het veelzijdige leven van Gisèle uitbeelden.

In 1981 kon Gisèle het naburige pand in de Beulingstraat kopen waar ze voor zichzelf een groot atelier inrichtte en waar haar eigen kunst, haar liefde voor het Griekse eiland Paros en haar fascinatie voor vormen uit de natuur op een schitterende manier samenkomen.

 

Mensen en verhalen

Gisèle en Wolfgang Frommel hadden beiden een uitgebreid netwerk in de Nederlandse en Europese intelligentsia. Daarvan zijn veelvuldige sporen terug te vinden in het huis: de archieven, de publicaties, boeken, kunstwerken en objecten.

Deze collectie vertelt verschillende verhalen die intens met elkaar verweven zijn en gemakshalve maar niet helemaal correct het Castrum Peregrini verhaal genoemd kan worden. Dit Castrum Peregrini verhaal heeft enkele hoofdlijnen: de levenswandel van respectievelijk Gisèle en Wolfgang Frommel. Zeker in het geval van Gisèle loopt die niet noodzakelijkerwijze altijd samen met het Castrum Peregrini verhaal.

 

Periodes en ontwikkelingen

De levensverhalen van Gisèle en Wolfgang kennen verschillende periodes, die vanaf hun eerste ontmoeting in 1941 grotendeels en letterlijk onder een gemeenschappelijk dak (Herengracht 401) zich ontwikkelen. Gisèle is dan 28 en Wolfgang 38 jaar oud. Beiden zijn opgegroeid in het buitenland, maar maken toch deel uit van een uitgebreid netwerk van Nederlandse intelligentsia, waar ze elkaar dan ook ontmoeten (bij Adriaan Roland Holst).

Gisèle nodigt Wolfgang uit om zijn Joodse pupillen onder te laten duiken in haar appartementje op de Herengracht. Hieruit ontstaat na de oorlog het Castrum Peregrini. Sociaal gezien delen ze een woongemeenschap van personen die jonger zijn dan henzelf, en waarvan ze de onbetwiste founding father en mother zijn. Deze gemeenschap is het eigenlijke Castrum Peregrini. Daarin vervullen ze elk een eigen rol.

Wolfgang Frommel ontwikkelt zich tot een spiritueel leider die met het tijdschrift Castrum Peregrini en  een geritualiseerde (mannelijke) vriendenkring een eigen wereld creëert. Deze spirituele wereld is voornamelijk geënt op het gedachtengoed van de Duitse dichter Stefan George. Gedurende zijn actieve leven reist Wolfgang een groot gedeelte van het jaar door Europa rond, om vrienden en (potentiële) auteurs voor het tijdschrift te bezoeken. Dit leidt tot een zeer uitgebreid en geëngageerd netwerk.

Gisèle neemt in de wederopbouwperiode na de oorlog de draad weer op als glazenier en toegepaste kunstenaar. Ze blijft Wolfgang Frommel en het Castrum Peregrini ondersteunen door onderdak te bieden en financieel bij te springen. Dat is ze tot haar einde in 2013 toe blijven doen. In de jaren vijftig ontmoet ze Arnold d’ Ailly, die dan burgemeester van Amsterdam is. In 1958 treden ze in het huwelijk en komt Arnold wonen op Herengracht 401. Gisèle gaat zich meer en meer richten op louter schilderkunst. Begin jaren zestig restaureren ze samen een kloostertje op het Griekse eiland Paros. Arnold sterft in 1967. Tot 1980 verblijft Gisèle de helft van het jaar op Paros. Vanaf 1982 blijft ze onafgebroken wonen in het pand Herengracht 40, dat in 1981 is uitgebreid met het aanpalende pand Beulingstraat 8 & 10. Ook Gisèle onderhoudt door veelvuldig reizen haar uitgebreid netwerk, dat ze, net zoals bij Wolfgang, op een elegante en onnavolgbare manier weet te instrumentaliseren voor haar diverse (kunst-)projecten (bvb. Weverij De Uil). Net als bij Wolfgang speelt haar persoonlijke interesses in de mensen die ze kiest hierin een grote rol.

In de Herengracht 401 zelf wonen decennia lang jonge mensen die zowel ingezet worden voor de uitgeverij als voor het huishouden. Afgezien van enkele constanten (Manuel Goldschmidt) verandert deze woongemeenschap voortdurend van samenstelling. Onder het min of meer welwillend oog van Wolfgang en Gisèle krijgt deze gemeenschap een eigen dynamiek en maakt ze een eigen ontwikkeling door. Dit wordt versterkt door de formele aspecten die eigen zijn aan de uitgeverij Castrum Peregrini en vanaf 1957 door de oprichting van de stichting Castrum Peregrini. In de decennia die daarop volgen wordt Castrum Peregrini langzaamaan een instituut dat voornamelijk in het buitenland een zeker aanzien geniet. De missie van de stichting en uitgeverij richt zich grotendeels op de Duitse dichter Stefan George. Gisèle is het met deze eenzijdige oriëntering niet altijd eens, maar blijft toch trouw aan het geheel.

Na de dood van Wolfgang in 1986 valt zijn vriendenkring uit elkaar in elkaar beconcurrerende vriendengroepjes. Ondanks, of beter gezegd, juist door de vastberadenheid waarmee maatschappelijke ontwikkelingen buiten de deur worden gehouden in de jaren die volgen, raakt de relevantie van met name de uitgeverij sluipenderwijs zoek. Buiten Gisèle dan, is de oud geworden oorlogsgeneratie niet van plan zich aan te passen aan de uitdagingen van de onstuitbare maatschappelijke veranderingen. Dit leidt tot generatieconflicten binnen Castrum Peregrini.

Pas in 2008, na het overlijden van de laatste onderduiker, kan een nieuw beginpunt worden gecreëerd: de uitgeverij wordt uitbesteed bij een Duitse uitgever en in Amsterdam wordt Castrum Peregrini een activiteitenorganisatie die haar kernwaarden ent op de waarden van haar ontstaansperiode: m.n. haar onderduikgeschiedenis in WOII. De aansluiting met het maatschappelijke discours wordt opnieuw gevonden, nieuwe creatieve netwerken worden aangeboord, nieuwe energieën revitaliseren Castrum Peregrini, dat intussen meer dan 65 jaar bestaat. En last but not least, een vernieuwde woongemeenschap zet Gisèle’ s en Wolfgangs traditie verder. De inmiddels hoogbejaarde Gisèle laat bij verschillende gelegenheden duidelijk merken blij te zijn dat ze deze ontwikkeling nog mee mag maken. In mei 2013 sterft ze in volle harmonie in haar atelier, haar eigen gecreëerde paradijs, omringd door haar jonge vrienden en haar dierbare objecten die aan haar geleefde leven herinneren.