‘The Flat’ documentaire van Arnon Goldfinger

The Flat

een week lang documentaires tijdens de themaweek over vriendschap bij Holland Doc 24 / VPRO, van 27 april t/m 3 mei 2013.  Met o.a. de internationaal bekroonde film The Flat van regisseur Arnon Goldfinger.

Tijdens de besloten vertoning van The Flat bij Castrum Peregrini, sprak Dana Linssen een voordracht als inleiding op deze bijzondere film, nog niet eerder te zien geweest op de Nederlandse TV. Hieronder haar tekst. Dana Linssen is docent Filmgeschiedenis en analyse (ArtEZ Arnhem), hoofdredacteur van de Filmkrant en filmcriticus bij de NRC.

Arnon Goldfinger and his mother Hannah Goldfinger in The Flatdoor Dana Linssen

“Het is niet voor niets dat er zoveel slapstickfilms zijn gemaakt waarin een kast de hoofdrol speelt. Een kast is het tragikomische vehikel van onze dromen, onze herinneringen, en de eeuwigdurende strijd tussen de fysieke ruimte die die geestesvruchten innemen en de schier eindeloze en onstoffelijke wereld waarin ze voortbestaan.

De Israëlische film The Flat die u vanavond gaat zien had net zo goed de kast kunnen heten. De flat van de overleden grootmoeder van filmmaker Arnon Goldfinger is een soort inloopkast. Een museum. Een levende Wunderkammer. Haar hele verleden is erin verzameld, van boeken die niemand meer leest en handschoenen en hoedjes in alle maten, tot brieven van mensen waarvan haar kinderen en kleinkinderen het bestaan niet eens vermoedden. Het is een kast die de deuren opent naar de geheime tuin van het verleden.

Iedereen die weleens een kast heeft uitgeruimd weet: er past altijd genoeg in voor twee kasten. En zelfs in kasten kunnen dingen verdwijnen of een eigen leven gaan leiden. Een kast bevat misschien het tastbare bewijs dat de dingen die we erin verzameld hebben echt bestaan, maar is tegelijkertijd een uitstekende metafoor voor de grillige wegen van ons geheugen.

Op het moment dat Arnon Goldfinger en zijn familieleden die kast van hun grootmoeders, en daarmee hun eigen verleden beginnen uit te ruimen en te sorteren, al die artefacten op waarde proberen te schatten en de verdwenen verbindingsdraden tussen die tastbare herinneringen beginnen te spinnen, komen zij en wij met hen dan ook meer tegen dan ze ooit hadden kunnen vermoeden.

Elke familiegeschiedenis is gebouwd op geheimen en verzwegen vanzelfsprekendheden, op zaken waar men het niet over heeft omdat ze voorbij zijn, of schaamtevol, of simpelweg te vanzelfsprekend of onbegrijpelijk voor degenen die ze niet hebben meegemaakt. En dat nu is precies wat er uit die flat, die kast in het leven van grootmoeder Gerda Tuchler, tevoorschijn komt.

Ik moet er maar niet teveel over verklappen, want The Flat is een film die van de toeschouwer een medeschatgraver, en medeontdekkingsreiziger maakt in de tocht die Arnon Goldfinger onderneemt om een wonderlijke vriendschap te begrijpen: die tussen zijn grootouders en het Duitse echtpaar Von Mildenstein, een vriendschap die niet alleen bestond toen Goldfingers grootouders als overtuigde Zionisten in de jaren dertig van Duitsland naar Palestina waren getrokken, en daar door de Von Mildensteins werden bezocht, maar ook na de oorlog weer werd opgepakt, ‘alsof er niets gebeurd was’.

De grote vraag voor Goldfinger en zijn familie is hoe deze verboden vriendschap kon ontstaan en blijven bestaan. De grote vraag voor ons als toeschouwers is wat vriendschap is.

Afgelopen week ging in de Nederlandse bioscopen de film Hannah Arendt van Margarete von Trotta in première. Dit weekend herdenken we de Tweede Wereldoorlog. Von Trotta’s film, die zich met name concentreert op Arendts verslaggeving van het Eichmann-proces in 1961 en haar formulering van het begrip dat we sindsdien allemaal kennen als ‘de banaliteit van het kwaad’ en deze herdenkingsdagen, zijn twee sleutels om de deur naar The Flat te kunnen openen.

Maar we kunnen de film alleen echt begrijpen als we ook proberen onszelf tijdens het kijken te begrijpen. Dat is soms nog best een klus, want het betekent dat we door onszelf ook de ander moeten begrijpen.

Veel van de reacties van de personen in de film op die onwaarschijnlijke vriendschap tussen de Tuchlers en de Von Mildensteins zijn ook onze eigen reacties: van onbegrip tot ontkenning en veroordeling tot rationalisaties die ver aan het persoonlijke en het emotionele voorbij gaan. We worden er bijna een soort amateurpsychologen van. We worden gedwongen om onze eigen vriendschappen onder de loep te nemen. Hoe ontstaan ze? Uit toeval of uit affiniteit? Het ligt voor de hand om de vriendschap uit de film te proberen te verklaren op ideologische gronden, maar begeven we ons dan niet op glad ijs? En we kennen allemaal die verhalen over die vreemde relaties tussen beulen en hun slachtoffers, vriendschappen waarin gevoelens van schuld en schaamte voor een onbalans en een wurggreep zorgen. Maar is dat wat hier werkelijk aan de hand is?

Gedurende de film zal Arnon Goldfinger een aantal keer de in Duitsland levende dochter van de Von Mildensteins bezoeken. Op een gegeven moment heeft hij het ook over de ‘vriendschap’ die tussen hen aan het ontstaan is. Misschien betekent vriendschap wel gewoon dat je samen een aantal dingen doormaakt. Goldfinger en Edda von Mildenstein zijn door de documentaire queeste van de film beiden gedwongen in het verleden af te dalen. Ze hebben wel elk een ander vertrekpunt, en zien daarom wat ze tegenkomen ook elk vanuit een ander perspectief. Is dat genoeg voor vriendschap? En moet je je vrienden, zoals Goldfinger probeert, ook altijd de waarheid vertellen? Of kan vriendschap ook gebaseerd zijn op zwijgen? Zelfs als we dat zwijgen moreel gezien een leugen zouden vinden? Wanneer verandert respect voor de ander in lafheid? En kunnen we iets wat we eenmaal weten ooit ont-weten, wat iets anders is dan vergeten, want vergeten duurt lang en vergeven is moeilijk.

Het zijn vragen die ons als toeschouwers op onszelf terugwerpen. Lang nadat het appartement van oma Tuchler is leeggeruimd. Er zijn nieuwe herinneringen bijgekomen, het verleden is herschikt, opnieuw van labels voorzien, en de dingen waar niemand meer iets mee kan, zijn door een opkoper meegenomen. Hun afwezigheid schittert nog voor onze ogen in het late zonlicht dat door de ramen valt in de lege flat. Dat is wat film doet, en deze film bijzonder waardenvrij en knap, het onzichtbare zichtbaar maken door de toeschouwer uit te nodigen te kijken. Met zichtbare en onzichtbare ogen. Naar uiterlijke werelden, waarin verstrooide terloopsheden in het stof neerslaan, en naar innerlijke, waarin alleen een eerlijke blik dat stof in ons denken erover weg kan blazen. En dat is natuurlijk al  moeilijk genoeg.”

27 april 2013

 

de financiering van de uitzendrechten en Nederlandse ondertiteling is mede tot stand gekomen door bijdragen van KUNSTENISRAEL en Genootschap Nederland Duitsland.