Farewell Gisèle

1 June 2013

On 27 May 2013 Gisèle d’Ailly van Waterschoot van der Gracht, founder and patronate of Castrum Peregrini, died peacefully in her studio age 100. On 1 June 2013 we burried Gisèle at the Stompe Toren in Spaarnwoude in-between her husband and friends from Castrum Peregrini. We would like to share with you some photos taken by Simon Bosch and some of what was said during the private ceremony. We provide you with translations where possible. So please keep scrolling down.

We want to thank all of you who have made the farewell so memorable and we want to especially thank all of those, who have sent warm words of support and appreciation.

Frans, Michael, Lars

 

 

 

 

The first speech was by Michael Defuster, director of Castrum Peregrini. We provide you here also with an English and a German language version
.

Beste vrienden en familie van Gisèle,

Hier zijn we dan verenigd in dit veel te kleine kerkje, om de laatste eer te betuigen aan deze bijzondere vrouw, met wiens levendigheid en enthousiasme zoveel mensen zich tot op het laatst van haar lange leven konden vereenzelvigen, zodat het bijna vanzelfsprekend leek dat ze altijd deel zou blijven uitmaken van het onze. Een idee van haar onsterfelijkheid deed zich op die manier al aan ons allemaal voor toen ze nog onder ons was.

Hoewel Frans, Lars en ik de laatste vier jaren dag in dag uit met Gisèle het huis aan de Herengracht deelden en elke dag weer een beetje meer voorbereid werden op het einde dat onvermijdelijk zichtbaar werd, hoewel de laatste maanden de noodzakelijke woorden vervaagden die de praktijk van onze decennialange relatie in stand hielden en hoewel Gisèle zich gaandeweg terugtrok in haar eigen schelp van existentie, greep de definitiefheid en onomkeerbaarheid van haar dood ook ons toch nog bij de keel. Nu moeten allen die Gisèle liefhadden of vereerden het zonder haar doen. Er is niets in het leven, buiten het leven zelf dan, dat werkelijker is dan de dood.

Gisèle laat gelukkig geen ontredderde wezen achter, want haar vriendschapsbanden waren gefundeerd  op positieve krachten zoals vrijheid, sterkte, vreugde, delen, respect, avontuur…. Ze maakte er geen geheim van dat ze een speciale band met mannen had, zoals haar drie oudere broers altijd haar beste speelmakkers waren in haar kindertijd. Met vrouwen deelde ze warmte, intensiteit, trouw en vooral creëren.

De tijd waarin ze opgroeide zag de rol van de vrouw allerminst als zelfstandig. Daarom hield ze zich, sterk persoon die ze was, verre van relaties die uit vastgelegde afhankelijkheden bestonden. Die verstikten haar vrijheids-gevoel en haar eindeloze creativiteit, haar kunstenaarschap.

Die twee elementen, vriendschap en kunst, maken de essentie uit van Gisèle’s leven. Met deze beiden heeft ze haar leven gestalte gegeven en kon ze haar vrijheid waarborgen om uit te groeien tot de volledige mens die ze was: sterk en kwetsbaar, ernstig en vrolijk, vrij en verantwoordelijk, vederlicht en trouw, begrensd en open, toegankelijk en gesloten … alles tegelijk en toch weer apart.

Gisèle spreekt tot de verbeelding zoals een figuur uit een mooi sprookje dat doet. Waar ze ook kwam maakte haar uitstraling indruk, op jong en oud, geleerde en handwerker, man of vrouw. Ze wekte meteen de belangstelling van de aanwezigen. Daar zijn talloze anekdotes over te vertellen. Iedereen die haar heeft meegemaakt kent er wel een paar. Ik hoop er vandaag meerdere te horen.

De raadselachtigheid van die speciale aantrekkingskracht vonden we het beste verwoord in enkele versregels van de Oud Griekse dichter Pindaros, die we hebben gebruikt op de rouwkaart:

Creatures for a day! What is a man?

What is he not? A dream of a shadow

Is our mortal being. But when there comes to men

A gleam of splendour given of heaven,

Then rests on them a light of glory

And blessed are their days.


Van recentere datum is de publieke belangstelling voor haar levenswandel en de expliciete  boodschap die in haar persoonlijkheid besloten ligt. De schier eindeloze reacties op haar dood en de vele betuigingen van medeleven van mensen die haar nog nooit ontmoet hebben, maar die geraakt en geïnspireerd zijn via de vele publicaties en reportages van de laatste jaren in de media,  maken duidelijk dat Gisèle’s charisma, haar waarden, principes en daden een groot publiek aanspreken. Haar persoon vormt een projectievlak voor het goede en waardevolle in dit leven, dat het persoonlijke overstijgt. Gisèle was voorbeeldig in alles wat ze deed tijdens haar leven. Een voorbeeld zal ze blijven nu haar levenswandel tot een einde is gekomen.

Castrum Peregrini aan de Herengracht in Amsterdam is haar thuis geweest. Wij, de jongere generatie, zullen zorgen dat het dit blijft.

 

Dear friends and family of Gisèle,

Here we are, united in this too small little church to give last honors to a very special woman, with whose vitality and enthusiasm many could identify up to the last moment of her long life, so that it seemed almost self-evident that she would always be part of ours. That is why we already had an idea of her immortality when she was still amongst us.

Despite that Frans, Lars and I shared virtually every day of the last four years with Gisèle in her house at the Herengracht and each day we got prepared a little bit more for the unavoidable end that came in sight,

despite her language fading away in the last month and the lacking words that formed the basis of our relationship,

And despite that Gisèle withdraw more and more into the shell of her own existence,

Despite all that even we were hit by the finality and inevitability of her death that touched us deeply. Now, all of us that loved or admired Gisèle must live on without her. There is nothing in life, besides life itself, that is more real than death.

Luckily Gisèle does not leave us behind disoriented. Her friendships were grounded in freedom, strength, joy, sharing, respect, adventure.

She didn´t keep it a secret that she had a special bond with men, such as her three older brothers that were the dearest playmates of her childhood. With women she shared warmth, intensity, fidelity and especially creativity.

In the time that she grew up in, society didn´t give women an independent role naturally. That is why –with her strong personality- she kept a distance to relationships that consisted of determined interdependencies. They suffocated her desire of freedom and her endless creativity, her artistry.

Those two elements, friendship and art, form the essence of Gisèles life. With those two she configured her life and ensured her freedom to develop into the woman that she was: strong and vulnerable, serious and joyful, free and responsible, light as a feather and loyal, defined and open, accessible and contained… all at the same time and also all in their own respect.

Gisèle triggers our fantasy as a figure from a beautiful fairytale. Wherever she came her charisma made an impression, on young and old, on scholars and craftsmen, men and women. She immediately sparked the interest of those present. There are countless anecdotes of this phenomenon, everyone who knew her will be able to tell a few of them. I hope to hear some today.

We found the mystery of her attraction best expressed in a few lines of the ancient Greek poet Pindaros, which we used for the card announcing Gisèles death:

Creatures for a day! What is a man?

What is he not? A dream of a shadow

Is our mortal being. But when there comes to men

A gleam of splendour given of heaven,

Then rests on them a light of glory

And blessed are their days.

Of more recent date is the broad public interest for her life and the explicit message which her personality embodies. The nearly endless reactions on her passing away and the countless expressions of condolences of people that have never met her, but who are touched and inspired by the many publications and documentations in the media of the last years make it clear that Gisèle’s charisma, her values, principles and deeds appeal to a broader public. Her person and her image form a projection screen for the good and the precious in this life, which exceeds the purely personal. Gisèle was an example for all that she did in life. She will stay an example now that her life has come to an end.

Castrum Peregrini at the Herengracht in Amsterdam was her home. We, the younger generation, will make sure that it remains her home.

 

Liebe Freunde und Familie von Gisèle,

hier sind wir nun in dieser viel zu kleinen Kirche zusammengekommen, um einer ganz besonderen Frau die letzte Ehre zu erweisen, einer Frau von deren Lebendigkeit und Enthusiasmus sich bis in die letzten Tage ihres langen Lebens so viele Menschen anstecken und bezaubern ließen. Da ist es eine Selbstverständlichkeit, dass sie allzeit ein Teil unseres Lebens bleiben wird. Eine Vorstellung von ihrer Unsterblichkeit gewannen wir schon in jenen Tagen, als sie noch unter uns war.

Obwohl Frans, Lars und ich während der letzten 4 Jahre tagein tagaus das Haus an der Herengracht mit ihr teilten und täglich etwas mehr auf das unvermeidliche Lebensende vorbereitet wurden,

obwohl  in den letzen Monaten die für unser jahrzehntelanges Zusammenleben notwendigen Wörter weniger wurden, Zeichen Wörter zu ersetzen begannen,

Obwohl  Gisèle sich zunehmend in die Schalen ihrer eigenen Existenz zurückzog

packte auch uns die Endgültigkeit und Unumkehrbarkeit ihres Todes bei der Kehle. Nun müssen alle, die sie liebten und verehrten, ohne sie auskommen. Nichts im Leben, außer dem Leben selbst, ist wirklicher als der Tod.

Gisèle lässt uns glücklicherweise nicht orientierungslos zurück. Fundament ihrer Freundschaftsbeziehungen waren positive Kräfte wie Freiheit, Stärke, Freude, Freigiebigkeit, Respekt und Abenteuerlust. Ein besonderes Verhältnis hatte sie zu Männern, woraus sie kein Geheimnis machte, waren doch schon ihre drei älteren Brüder in der Kindheit ihre besten Spielkamerden gewesen. Bei Frauen suchte und fand sie Wärme, Intensität, Treue und vor allem Kreativität. Die Zeit, in der sie aufwuchs, kannte keine Selbständigkeit der Frau. Deswegen hielt sie sich, starke Frau die sie war, von Beziehungen fern, die aus festen Abhängigkeiten bestanden. Sie erstickten ihr Freiheitsgefühl, ihre grenzenlose Kreativität und ihr Künstlertum. Zwei Elemente, Freundschaft und Kunst, waren die Essenz von Gisèles Leben. Sie gaben ihrem Leben Gestalt, sie gewährten ihr die Freiheit, jener vollständige Mensch zu werden, der sie war: stark und verletzlich, ernst und fröhlich, frei und verantwortlich, leicht wie eine Feder und treu, begrenzt und offen, zugänglich und verschlossen… alles war sie zugleich und doch wieder getrennt.

Der Phantasie erscheint Gisèle wie eine Märchenfigur. Wohin auch immer sie kam, ihre Ausstrahlung beeindruckte Jung und Alt, Gelehrte und Handwerker, Männer und Frauen; sie weckte das Interesse aller Anwesenden.  Da wären viele Geschichten zu erzählen, und ich hoffe, am heutigen Tag auch noch einige zu hören. Die Rätselhaftigkeit ihrer Anziehungskraft fanden wir am besten in einigen Versen des griechischen Dichters Pindar ausgedrückt, die wir auf die Todesanzeige gesetzt haben.

Creatures for a day! What is a man?

What is he not? A dream of a shadow

Is our mortal being. But when there comes to men

A gleam of splendour given of heaven,

Then rests on them a light of glory

And blessed are their days.

Neueren Datums ist die öffentliche Wahrnehmung ihres Lebens und die explizite Botschaft, die von ihrer Person ausgeht. Die zahllosen Reaktionen auf ihren Tod und die vielen Bezeugungen von Anteilnahme seitens all jener, die ihr nie persönlich begegnet sind, aber bewegt und inspiriert sind durch die vielen Publikationen und Reportagen in den Medien während der letzten Jahre, machen deutlich, dass Gisèles Werte, Prinzipien und Taten, ihr Charisma, eine großes Publikum ansprechen.

Ihre Person taugt als Projektionsfläche für alles Gute und Wertvolle im Leben, welches das Reinpersönliche  übersteigt. Gisèle war vorbildlich in allem, was sie während ihres langen Lebens tat; ein Vorbild soll sie bleiben, nun, da ihr Erdenleben ein Ende gefunden hat. Castrum Peregrini an der Herengracht in Amsterdam war ihr Zuhause. Wir, die jüngere Generation, werden dafür Sorge tragen, dass es dies bleibt.

 


Erik Somers
spoke on behalf of the board of Castrum Peregrini.  We provide you here also with an English language version.

Gisèle

Vanuit mijn werkkamer bij het NIOD, het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie aan de Herengracht kijk ik jarenlang, dagelijks uit op het ‘huis aan de overkant’: het woonhuis van Gisèle, het huis van Castrum Peregrini. Vanuit mijn hooggelegen kamer heb ik goed zicht op het verscholen atelier van Gisèle met de hoge ramen die zo’n prachtig licht naar binnen door laten. De plek waar zij zich zo lang veilig voelde en in haar creaties werkelijkheid en mysterie bijeen wist te brengen. In dezelfde blik gevangen zie ik het pand ernaast. Onder de dakrand verscholen, de etage waar tijdens de oorlog jonge onderduikers, verscholen in een veilige burcht, de oorlog hebben overleefd.

Ik kende Gisèle niet, maar wist van haar bijzondere leven en van haar oorlogsverhaal. Gedreven door bewondering, en ik geef toe, ook door nieuwsgierigheid trok ik zo’n tien jaar geleden de stoute schoenen aan en toog naar ‘de overkant’ om met Gisèle kennis te maken. Velen hier aanwezig zullen mijn ervaring van toen herkennen:  Wie Gisèle ontmoet wordt gegrepen door haar innemendheid, haar hartelijkheid, haar optimisme, haar levenswijsheid en haar bevlogenheid voor de wonderen van de natuur, die vaak verscholen zitten in het kleinste detail. Ik voel me bevoorrecht dat ik in de ontmoetingen met haar nadien, telkens weer van deze bijzondere eigenschappen heb mogen ervaren.

Mijn drijfveer om Gisèle destijds te ontmoeten betrof vooral ook mijn fascinatie voor de geschiedenis van de onderduik op die bovenetage tijdens de bezetting. Onder de goede zorg van Gisèle en anderen, wist een groep Duits-Joodse en Nederlandse onderduikers uit de vriendenkring van dichter Wolfgang Frommel, de oorlog ongeschonden door te komen. Niet alleen fysiek, maar vooral ook mentaal. Frommel en Gisèle creëerden een uitzonderlijke omgeving waarin de artistieke ontwikkeling voorop stond. Het was een kunst- en poëzie-lievend gezelschap, die de tijd vooral doorbrachten  met elkaar voorlezen van eigen en vertaalde gedichten en met het maken van tekeningen en schilderijen. Voor deze groep jonge onderduikers was de  gemaakte sfeer van vriendschap, kunst en dichtkunst letterlijk van levensbelang.

Ik was in de ban geraakt van Gisèle en dit uitzonderlijke onderduikverhaal. Door Gisèle leerde ik ook Michael kennen. Hij speelde al enige tijd met de gedachte om aan de betrekkelijk onbekende geschiedenis van de onderduik – en waaruit Castrum Peregrini is ontstaan – meer inhoud te geven. Gezamenlijk realiseerden we het plan in het pand van het NIOD een tentoonstelling te wijden aan het werk en leven van Gisèle tijdens de onderduik, maar ook aan de artistieke creaties van de hechte onderduikgemeenschap van vrienden. Gisèle leek aanvankelijk aarzelend tegenover het plan te staan; het moest vooral geen hommage aan haar worden.

De expositie kwam er. Vanuit mijn persoonlijk perspectief gezien heette de tentoonstelling ‘Het Huis aan de overkant’. Eind april 2007, de dag dat Gisèle de tentoonstelling kwam voor-bezichtigen, staat in mijn geheugen gegrift. Ik had haar inmiddels beter leren kennen, en kende ook haar reputatie dat zij meedogenloos kon zijn als iets haar echt niet beviel. Vanuit mijn raam zag ik aan de overkant de tengere gestalte van Gisèle over de trap haar pand uitkomen, in gezelschap van Michael en Lars.  Aangekomen aan de andere zijde van de gracht, bekeek ze zwijgend de tentoonstelling. Een ongemakkelijke stilte. Maar ineens, sloeg ze haar handen dichtgevouwen voor haar mond, en zei geroerd: ‘prachtig’. Het voelde voor Michael en mij alsof we geslaagd waren voor ons eerste schoolexamen.

Niet eerder trok een tentoonstelling in het NIOD zoveel bezoekers. Samen met Michael, stelden wij de bundel ‘Gisèle en haar onderduikers’ samen, en de auteurs van de bundel verzorgden een lezingen-cyclus over de thematiek. Het belang van de aandacht voor het bijzondere verhaal van de onderduik was, dat er opnieuw gekeken werd naar het fundament waarop het na-oorlogse Castrum Peregrini is opgebouwd. Het wierp ook een nieuw licht op haar tijdens de bezetting gevormde levensopvatting, en op de betekenis van haar inspirerende en toegewijde rol na de oorlog bij de vorming en het mogelijk maken van Castrum Peregrini, zoals het vandaag de dag bestaat.

De afgelopen jaar heeft het Castrum Peregrini, waarvan Gisèle beschermvrouw is, een grote verandering door gemaakt. Er is teruggekeerd naar de elementaire waardes uit de onderduik: vriendschap en de liefde voor kunst en cultuur. Zij dienen als  uitgangspunten voor een creatieve, begripvolle en mondige samenleving. Was de onderduikburcht eens een verborgen, heimelijke plek voor artistieke uitdaging en vertrouwen; het huidige Castrum Peregrini is, weliswaar in de geest van toen, een open en transparante plek; een podium voor eigentijdse, vernieuwende  en uitdagende culturele activiteiten en debat. Zelfs de onderduiketage, die vrijwel nog geheel ingericht is als toen, wordt voor bepaalde gelegenheden opengesteld. De ruimte wordt nu gekoesterd als een tastbare plaats van herinnering en een plek voor bezinning en ontmoeting.

‘Heldin van de Herengracht’ stond er boven het ‘in memoriam – artikel’ in de Volkskrant van afgelopen woensdag. Deze betiteling voor haar rol in de oorlog zou Gisèle niet hebben bevallen. Zelf heeft ze aan het oorlogsverhaal altijd weinig ruchtbaarheid willen geven. Maar toen ze in 1998 de Yad Vashem onderscheiding kreeg voor haar onderduikhulp, werd ze met regelmaat op het oorlogsverhaal aangesproken. Zelf zei ze altijd, dat ze gedaan heeft wat ze moest doen. Met als groot goed, dat deze inspanningen haar geestelijk verrijkten, vriendschappen voor het leven boden en bovenal een onschatbare inspiratiebron waren voor voortdurende  geestelijke, maatschappelijke en artistieke ontplooiing. Aan deze waardes wordt nu – nog meer dan voorheen – invulling gegeven door Castrum Peregrini. Michael, Lars en Frans, die haar zo dierbaar waren, hebben zich laten inspireren door de betekenis van haar opvattingen en levensinvulling. Haar grote verdienste is dat zij aan deze herinnering aan de oorlog een continuïteit heeft gegeven voor nu en later. In dat opzicht is zij terecht de heldin van de Herengracht, of vanuit mijn perspectief: heldin van de overkant.

 

Gisèle

From my office at NIOD, the Dutch Institute for War Documentation on the Herengracht, I look out every day at the house across the canal: the house where Gisèle lived, the house of Castrum Peregrini. My vantage point gives me an excellent view of her secluded studio, lit so beautifully by its high windows. This was the place where Gisèle for so long felt safe, and could combine reality with mystery in her creative work. Next door, hidden under the eaves, I can see the floor where young people found safe refuge and survived the war.

I did not know Gisèle, but had heard of her extraordinary life and of her wartime history. Driven by admiration, and – I must admit – also by curiosity, ten years ago I summoned up the courage to go across the water and make her acquaintance. Many of you will recognise how I felt. Whoever meets Gisèle is deeply touched by her charm, her open-heartedness, her inspiration, her optimism, her wisdom and her passion for the wonders of nature, down to the smallest detail. I feel privileged to have experienced these very special qualities in our many subsequent encounters.

My motivation to meet Gisèle was first of all the fascination for the history of the people in hiding on that upper floor during the German occupation. Because of the care Gisèle and others gave them, a group of young German-Jewish and Dutch artists and intellectuals, belonging to the circle of friends of the poet Wolfgang Frommel, managed to survive untouched – not only physically but above all mentally. Frommel and Gisèle created an exceptional environment in which artistic development was paramount. It was a group of people who loved art and poetry, and spent their time reading each other their own or translated poems and making drawings and paintings.  The atmosphere created by the young people in hiding was literally a matter of life and death.

Having fallen under the spell of Gisèle and this exceptional story I also got to know Michael. For some time, he had already been developing the idea of providing more content and visibility to the relatively unknown history of the hiding place, from which Castrum Peregrini evolved. Together we mounted an exhibition in the NIOD building, dedicated to the life and work of Gisèle during the war, and also to the artistic creations of the close-knit community of friends. Initially Gisèle seemed reluctant: she was afraid that it would become homage to her rather than to the group as a whole.

The exhibition opened and, reflecting my personal perspective, was called ‘The house across the canal’. The day towards the end of April 2007 when Gisèle came to inspect it is etched on my memory. I knew her better by then and also knew her reputation for being merciless, if she did not like something.  From my window I saw Gisèle’s fragile figure leave the building in the company of Michael and Lars.  She crossed the canal and inspected the exhibition wordlessly. An awkward silence.  But suddenly she put her hands together in front of her mouth and said “beautiful”. She was moved. Michael and I both felt as if we had passed our first school exam.

Never before had a NIOD exhibition attracted so many visitors. Together with Michael, we put together the collection of articles ‘Gisèle and her people in hiding’ and the authors of the book organised a cycle of presentations on the themes of the book. The importance of this extraordinary story of the hiding place was that it drew renewed attention to the basis on which Castrum Peregrini was built after the war. It shed new light on Castrum’s life philosophy, as it was formed during the occupation, and the importance of Gisele’s inspiring and dedicated role in the development of Castrum Peregrini, as it exists today.

In the last few years, Castrum Peregrini, of which Gisèle is the patron, has changed a lot. The elementary values from the period in hiding have resumed a central role: friendship and the love of art and culture. They serve as points of departure for a creative, understanding and emancipated society.  While the hiding fortress once was a secret place of artistic challenge and trust,  the current Castrum Peregrini is – in that same spirit – an open and transparent place, a stage for  contemporary , innovative and challenging cultural activities and debate Even the hiding floor, decorated in the same way as before, is opened on special occasions. The space is being treasured as a tangible place of memory, reflection and encounter.

‘Hero of the Herengracht’ was the title of the obituary in last Wednesday’s Volkskrant. This characterisation of her wartime role would not have pleased Gisèle.  She did not want to give any publicity to her wartime story. But since 1998, when she was given the Yad Vashem award for her support to people in hiding, she has regularly been approached to tell that story. She always said ‘she did what she had to do’, and that the experience enriched her spiritually, led to lifelong friendships and above all was an invaluable source of inspiration for her spiritual, societal and artistic development. It is these values that – more than ever before – are being treasured and realised by Castrum Peregrini. Michael, Lars and Frans, who were so dear to her, have been inspired by her and by the importance of her ideas and the meaning they gave to her life. Her greatest merit is that she gave continuity to this memory of the war for now and for later. In this respect she is very rightfully the hero of the Herengracht and from my perspective the hero from ‘across the canal’.

 

 

Leo van Santen spoke as a friend and archivist of Gisèle. We provide you here also with a German language version.

Mijn huis staat op het punt waar de Leidsegracht op de Herengracht uitkomt, en men herkent mij aan mijn neus.” Dit waren de eerste woorden die Gisèle met de karakteristieke adellijke stem sprak, toen ik mij in 1986 telefonisch bij haar meldde voor een afspraak. Mijn germanistische leermeester Alexander von Bormann had mij namelijk gevraagd om zijn Amsterdamse vriendin met enkele klusjes te helpen. Het vermoeden dat ik met een wereld buiten de normaliteit in contact stond, werd de daaropvolgende zaterdag bevestigd tijdens mijn tocht met de gammele lift naar de vierde verdieping van Herengracht 401, tijdens mijn snelle blik naar rechts in Gisèles aan het feodale Oostenrijk herinnerende woonkamer en ten slotte tijdens de afdaling via de trap naar het nog spierwitte Parische atelier. Door de ateliertunnel lopend zag ik eerst op de achtermuur de op het Griekse eiland Paros geschilderde ondergaande zon en opkomende maan. Gisèle zelf stond links daarvan in een blauwe skibroek met een penseel in haar hand voor de schildersezel. Op de plaats waar later mijn werktafel zou staan, mocht ik op een houten kruk gaan zitten en als vanzelfsprekend betrok Gisèle mij meteen bij de technische details van haar schilderwerk. Sindsdien maakte ik deel uit van haar onconventionele leven en had ik er in dat opzicht een leermeesteres bij. Het gevoel van verbondenheid en vertrouwen dat ze mij toen al gaf, zou tot het eind toe duren.

De zaterdagen bleven in Gisèles agenda voortaan gereserveerd voor mijn bezoeken. “Zijn die klusjes eigenlijk al eens af?” of nieuwsgieriger “Wat doe je daar toch allemaal?” vroegen mensen mij in de loop der jaren. Ik legde dan het vaste verloop van de dag uit. ’s Ochtends dronken we in de atelierkeuken koffie – Gisèle altijd met drie scheppen suiker –, aten we taart en bespraken we haar en mijn afgelopen week. Vervolgens werd in het atelier de post bekeken, beantwoord en in het archief opgeborgen, dat ik volgens Gisèles ongewone systematiek heb opgezet. Omdat Gisèle nooit een brief weggooide – waarschijnlijk om ook zo het kunstwerk van haar leven vast te houden –, bevat het archief nu alle brieven onder meer van de Oostenrijkse familie van haar moeder uit kasteel Hainfeld, van haar vader tijdens diens verblijf als geoloog in Amerika, van haar leermeester in het glazeniersvak Joep Nicolas en van Bergense kunstenaars als de dichter Adriaan Roland Holst. Ook aanwezig zijn de brieven aan Gisèle van de dichter Wolfgang Frommel en zijn Castrum-Peregrinikring, die in de onderduiktijd tijdens de Tweede Wereldoorlog in haar huis ontstond.   

Om 13.00 uur aten Gisèle en ik door mij bij Lanskroon gekochte saucijzenbroodjes, die zij met bosbessenjam besmeerde, naar eigen zeggen omdat ze dat tijdens haar jeugd in Amerika zo had geleerd. De lunch werd steevast besloten met een portie ijs. Behalve voor het ordenen van haar schilderijen en bibliotheek was de middag bestemd voor lange sessies aan mijn tafel in het atelier waarin Gisèle aan de hand van agenda’s en dagboeken mij over haar leven dicteerde. Ook werkten we aan haar gedichten. Tussen de bedrijven door vertelde ze afwisselend in het Nederlands, Engels, Duits en Frans vele anekdotes alsook haar opvattingen over beeldende kunst en literatuur. Dat ik meeging in haar taal- en onderwerpsprongen, leek ze niet meer dan normaal te vinden. De dag eindigde met een souper, zoals Gisèle dat noemde, in een Grieks restaurant aan het Singel, waar Paros-wijn werd geschonken. Het deed haar denken aan het jarenlange verblijf in het Parische klooster Agios Ioannis, dat ze in 1965 vlak voor diens dood met haar echtgenoot en voormalig burgemeester van Amsterdam Arnold d’Ailly had betrokken. Uiteraard sprak Gisèle met de restauranteigenaar Grieks.      

De laatste jaren, toen Gisèle geestelijk en lichamelijk zwakker was geworden, kon ze ons programma steeds moeizamer volhouden en lag ze tussendoor langere periodes op haar divan te slapen. Ook lukte het niet meer om naar het Paros-restaurant te gaan. Het souper werd nu in de atelierkeuken klaargemaakt door Gisèles trouwe verzorgsters Osti of Erdmute en daar in hun gezelschap door ons opgegeten. Een maand geleden zei Sherida, die Gisèle palliatieve zorg verleende en op wie ze zichtbaar gesteld was, dat ik geen saucijzenbroodjes meer hoefde mee te brengen, omdat ze nauwelijks nog at. Ik duidde dit als teken dat Gisèle had berust in het onvermijdelijke gevolg van haar ouderdom. Afgelopen maandag zou ze op de leeftijd van 100 jaar in Sherida’s aanwezigheid op bed haar laatste adem uitblazen.

Twee weken geleden bezocht ik Gisèle voor het laatst. Toen ik bij het weggaan de ateliertrap naar de lift opliep, draaide ik me halverwege om en zwaaide nog naar haar. Door Sherida hierop geattendeerd zwaaide ze van achter de keukentafel terug en lachte. Eergisteren zag ik Gisèle schitterend opgebaard liggen op de midden in de ateliertunnel neergezette divan, niet ver van de plaats waar ik haar 27 jaar geleden had ontmoet. Achter Gisèle doemde in het atelier haar kunstwereld op met duidelijk zichtbaar de ondergaande zon en opkomende maan. “Nu ben ik mijn wekelijkse onderdompeling in Gisèles wereld en daarmee een belangrijke houvast in het leven kwijt,” zei ik tegen Frans Damman, die mij begeleidde. Maar terecht antwoordde hij: ”Vergeet niet dat je de herinnering aan de bijzondere Gisèle levenslang zult behouden.”

Ik laat Gisèle nu vaarwel zeggen met het slotgedicht ‘Farewells’ uit haar in 1995 verschenen bundel Parian Poems. Het wegvliegen van haar geliefde Paros in 1982 is hierbij als metafoor te beschouwen voor haar definitieve wegvliegen naar de hemel vijf dagen geleden:

 

I flying and my heart

Full of farewells

Farewell to Paros

To friends farmers fishermen

To pre-election roaring Athens.

 

I flying over bundles of cloud

Ravelling round the Muse’s Mount

Cephalonia’s foam-footed cliffs

And the purple void of the Ioanian Sea.

No more beaches for Arethusa

Or anyone else.

 

A steamer like a bug far below

Heads for Apulia

And I fly north.

Mein Haus steht an dem Punkt, wo die Leidsegracht in die Herengracht mündet, und man erkennt mich an meiner Nase.” Das waren die ersten Worte, die Gisèle mit der charakteristischen adligen Stimme sprach, als ich mich 1986 für eine Verabredung telefonisch bei ihr meldete. Mein germanistischer Lehrmeister Alexander von Bormann hatte mich nämlich gebeten, für seine Amsterdamer Freundin einige Gelegenheitsarbeiten zu verrichten. Die Vermutung, dass ich mit einer Welt jenseits der Normalität in Kontakt stand, wurde am darauffolgenden Samstag bestätigt: während meiner Fahrt im wackeligen Aufzug in den vierten Stock der Herengracht 401, während meines schnellen Blicks nach rechts in Gisèles ans feudale Österreich erinnerndes Wohnzimmer und zum Schluss während des Treppenabstiegs ins noch blütenweiße parische Atelier. Durch den Ateliertunnel gehend sah ich zunächst an der Rückwand die auf der griechischen Insel Paros gemalten Bilder der untergehenden Sonne und des aufgehenden Monds. Gisèle selbst stand links in blauer Skihose mit einem Pinsel in der Hand vor ihrer Staffelei. Am Platz, wo später mein Arbeitstisch stand, durfte ich mich auf einen Holzhocker setzen und wie selbstverständlich sprach Gisèle mit mir sofort über die technischen Einzelheiten ihrer Malerei. Seitdem war ich Teil ihres unkonventionellen Lebens und hatte in der Hinsicht eine Lehrmeisterin dazubekommen. Das Gefühl der Verbundenheit und des Vertrauens, das sie mir damals schon gab, sollte bis zum Ende währen.

Die Samstage blieben in Gisèles Agenda für meine Besuche reserviert. “Sind die Gelegenheitsarbeiten eigentlich schon mal erledigt?” oder neugieriger “Was machst du da denn alles?” fragten mich viele im Lauf der Jahre. Ich erklärte dann den festen Tagesablauf: Morgens tranken wir in der Atelierküche Kaffee – Gisèle immer mit drei Löffeln Zucker –, aßen Kuchen und besprachen ihre und meine vergangene Woche. Anschließend wurde im Atelier die Post durchgegangen, beantwortet und ins Archiv eingeordnet, das ich nach Gisèles ungewöhnlicher Systematik aufgebaut habe. Weil Gisèle nie einen Brief wegwarf – wohl um auch so das Kunstwerk ihres Lebens festzulegen –, umfasst das Archiv heute alle Briefe, die ihr u.a. von der österreichischen Verwandtschaft ihrer Mutter aus Schloss Hainfeld, von ihrem Vader während dessen Aufenthalts als Geologe in Amerika, von ihrem Lehrmeister in der Glasmalerei Joep Nicolas und von Künstlern aus Bergen wie dem Dichter Adriaan Roland Holst geschrieben wurden. Auch vorhanden sind die Briefe an Gisèle von dem Dichter Wolfgang Frommel und seinem Castrum-Peregrinikreis, der in ihrem Haus während des Zweiten Weltkriegs im Versteck entstand.

Um 13.00 Uhr aßen Gisèle und ich von mir bei Lanskroon gekaufte Wurstbrötchen, die sie mit Heidelbeermarmelade bestrich, nach ihrer Angabe, weil sie das während ihrer Jugend in Amerika so gelernt hatte. Der Lunch wurde üblicherweise mit einer Portion Eis beschlossen. Außer für das Ordnen ihrer Gemälde und Bücher war der Nachmittag für lange Sitzungen an meinem Ateliertisch vorgesehen, in denen Gisèle anhand von Agenden und Tagebüchern mir über ihr Leben diktierte. Auch arbeiteten wir an ihren Gedichten. Unterdessen erzählte sie abwechselnd auf Niederländisch, Englisch, Deutsch und Französisch viele Anekdoten sowie ihre Auffassungen über bildende Kunst und Literatur. Dass ich mit ihren Sprach- und Themensprüngen mitmachte, schien sie für normal zu halten. Der Tag endete mit einem Souper, wie Gisèle das zu nennen pflegte, in einem griechischen Restaurant am Singel, wo Paros-Wein ausgeschenkt wurde. Es erinnerte sie an den jahrelangen Aufenthalt im parischen Kloster Agios Ioannis, das sie 1965 kurz vor dessen Tod mit ihrem Gatten und ehemaligem Amsterdamer Bürgermeister Arnold d’Ailly bezogen hatte. Selbstverständlich unterhielt sich Gisèle mit dem Restaurantbesitzer auf Griechisch.

Die letzten Jahre, als Gisèle geistig und körperlich schwächer geworden war, konnte sie unser Programm immer mühsamer durchhalten und lag zwischendurch längere Perioden auf ihrem Diwan zum Schlafen. Auch gelang es nicht mehr, zum Paros-Restaurant zu gehen. Das Souper wurde nunmehr in der Atelierküche von Gisèles treuen Pflegerinnen Osti oder Erdmute zubereitet und dort in deren Gesellschaft von uns aufgegessen. Vor einem Monat sagte Sherida, die Gisèles Palliativpflege übernommen hatte und bei der sie sich sichtlich behaglich fühlte, dass ich keine Wurstbrötchen mehr mitbringen solle, weil sie kaum noch esse. Ich deutete dies als Zeichen, dass Gisèle sich mit der unvermeidlichen Folge ihres Alters abgefunden hatte. Am vergangenen Montag tat sie im Bett als Hundertjährige in Sheridas Gegenwart den letzten Atemzug.

Vor zwei Wochen besuchte ich Gisèle zum letzten Mal. Als ich beim Weggehen die Ateliertreppe zum Aufzug hinaufging, drehte ich mich auf halbem Wege um und winkte ihr noch zu. Von Sherida darauf aufmerksam gemacht, winkte sie von ihrem Platz am Küchentisch zurück und lachte. Vorgestern sah ich Gisèle glänzend aufgebahrt liegen auf dem mitten in den Ateliertunnel gestellten Diwan, nicht weit von der Stelle, wo ich sie vor 27 Jahren getroffen hatte. Hinter Gisèle tauchte im Atelier ihre Kunstwelt auf mit – deutlich sichtbar – der untergehenden Sonne und dem aufgehenden Mond. “Jetzt habe ich mein wöchentliches Eintauchen in Gisèles Welt und damit einen wichtigen Halt im Leben verloren,” sagte ich Frans Damman, der mich begleitete. Mit Recht antwortete er jedoch: ”Vergiss nicht, dass du die Erinnerung an die einzigartige Gisèle dein Leben lang behalten wirst.”

Ich lasse Gisèle sich jetzt mit dem Schlussgedicht ‘Farewells’ aus ihren 1995 erschienenen Parian Poems verabschieden. Das Wegfliegen von ihrem geliebten Paros im Jahr 1982 ist hier als Metapher für ihr endgültiges Wegfliegen in den Himmel vor fünf Tagen zu betrachten:

 

I flying and my heart

Full of farewells

Farewell to Paros

To friends farmers fishermen

To pre-election roaring Athens.

I flying over bundles of cloud

Ravelling round the Muse’s Mount

Cephalonia’s foam-footed cliffs

And the purple void of the Ioanian Sea.

No more beaches for Arethusa

Or anyone else.

A steamer like a bug far below

Heads for Apulia

And I fly north.

 

Cees van Ede and his late partner Maud Keus produced the magnificent documentary Het Steentje van Gisèle. Cees read out a poem, which he dedicated to Gisèle.

Een leven vol kunst
Maar de kunst van het leven
Is jou god gegeven
En grootste talent

Je stralende wezen
Door Bloem ooit omschreven
Als ‘engel’ is onwerelds
Maar aards evident

En op het moment
Dat Beckmann je tekende
Zag hij, Gisèle
Precies wie je bent

Want al wat je aanraakt
Al is het maar even
Verandert in iets
Wat nog niet is gekend

 

Joke Haverkorn van Rijsewijk, founder of Weverij de Uil, where all of Gisèles tapestries where woven, read a poem in memory of Gisèles time on Paros

AJOS JOANNIS: IV

Teruggekeerd op vroege schreden,
zonder jou
maar met jou
in elk vezel
van mijn leven,
sta ik in de ruimte
met alles wat werd liefgehad.

De wind fluit buiten
om de muren
en in de wijde cirkel
van de baai
werpen schepen
met gereefde zeilen
het anker uit.
Ontkomen aan een wilde zee.

Onder het blauwe vierkant
van een onbewogen hemel
ben ik opnieuw te gast
binnen de muren,
die wit gebleven
en binnen de stilte,
stil zoals altijd.

 

On behalf of the family, Antoinette Baan spoke, the daughter of Gisèles late husband Arnold d’Ailly, but also Daniel Bozhkov, Julliet Gooden and Roger Platt, who read a poem on behalf of Frank Platt

Loveliest of what I leave behind is the sunlight,
and loveliest after that the shining stars and the moon’ s face,
but also cucumbers that are ripe,
and pears, and appels.

Praxilla of Sicyon

 

At the grave Ute Oelman, friend and board member of Castrum Peregrini, head of the Stefan George Archive in Stuttgart read the following poem of Friedrich Hölderlin

Die Linien des Lebens sind verschieden,
Wie Wege sind, und wie der Berge Gränzen,
Was hier wir sind, kann dort ein Gott ergänzen
Mit Harmonien und ewigem Lohn und Frieden.

 

 

Please also have a look at the obituaries about Gisèle published in the Dutch press.