Portret-Paviljoen

Portret Paviljoen

Castrum Peregrini

Tijdens ‘Portret-Paviljoen Duivenvoorde’ presenteerden op 23 oktober Michael Defuster en Frans Damman portretten uit de collectie van Castrum Peregrini. Ook Simon Bosch ‘fotograaf aan huis’ was uitgenodigt een portret voor te stellen. 

Een stukje uit Michaels betoog:

..

Frans Damman bracht een portret van Gisèle.  Hij vertelde erbij het volgende:

Portret Max Beckmann van Gisèle d’Ailly van Waterschoot van der Gracht, beschermvrouwe van de Stichting Castrum Peregrini

 Het portret is gedateerd oktober 1945. Gisèle (1912) is hier net 33 jaar geworden. Max Beckmann (*1884  †1950) is dan 61 jaar.

In 1937 vindt in München de 1e tentoonstelling “Entartete – ontaarde – Kunst”  plaats, avant-garde kunst die door de nazi’s als ‘ontspoord’ wordt gekenmerkt en daarmee deze kunstenaars in de ban deed. Max Beckmann is op deze tentoonstelling met ruim 20 werken vertegenwoordigd. Hij was een groot en beroemd kunstenaar in de Weimar republiek.

Beckmann emigreert, beter gezegd vlucht in 1937 naar Nederland, hij woont samen met zijn vrouw Quappi 10 jaar aan het Rokin in Amsterdam.

De relatie met de Nederlandse overheid was een moeizame, zo ontstaan er na de oorlog nog in 1946 problemen over het behoud van zijn status als Non-Enemy. Tijdens de Amsterdamse jaren is hij slechts bevriend met een handjevol mensen uit de kunstenaarswereld, o.a. Herbert Fiedler en de jonge Gisèle van Waterschoot van der Gracht. In 1947 emigreert hij naar New York.

Ten tijde van dit portret heeft Gisèle de oorlogsjaren net achter de rug en in die tijd, heeft zij samen met de dichter Wolfgang Frommel, de verantwoordelijkheid op zich genomen jonge joodse kunst begaafde jongens in haar appartement een veilig onderduikadres te geven. Dit is hen gelukt, alle onderduikers overleven de oorlog. Na de oorlog ontstaat uit deze groep de Stichting Castrum Peregrini in Amsterdam.

Gisèle is net als Beckmann zelf ook vlak voor de oorlog in Nederland terecht gekomen, na haar jeugd in de VS woont zij enige tijd in Oostenrijk en Frankrijk en komt dan via Limburg en Bergen NH in januari 1941 in Amsterdam terecht.

Zij is, als de oorlog uitbreekt, een jonge kunstenaar die net haar naam aan het vestigen is. Toch besluit zij ondanks aandringen niet te tekenen voor de KulturKammer. En dat is slechts een klein voorbeeld van de moedige daadkracht die zij op jonge leeftijd toont.

Dit portret is in meerdere opzichten bijzonder;

Allereerst de kunstenaar, de afgebeelde en de tijd waarin het is gemaakt. Maar ook omdat de jonge onderduikers de verveling in hun schuilplek verdreven door bezig te zijn met kunst, o.a. door het maken van portretten. Zo konden zij geestelijk overleven. Daarbij was voor Gisèle zelf in de tweede helft van de oorlog het in opdracht schilderen van portretten haar enige bron van inkomsten waarmee zij zichzelf en haar onderduikers kon voeden.

En wat ik bijzonder vind, is de eenvoud van dit portret, een bijna afwezige dromerige blik, een leeg blad of boek op tafel en de goed getroffen kenmerkende neus zonder dat je het gevoel krijgt dat hier een oorlogsheld staat afgebeeld. Zo ziet zij dat zelf ook en dat maakt dat ik dit portret van de beschermvrouwe van de stichting Castrum Peregrini graag wilde tonen in het Portrait Pavilion op Kasteel Duivenvoorde.